Ik heb een droom

Peter Jan Bogaert over wachttijden in de jeugdhulp

“Ik heb vannacht zo heerlijk gedroomd”, sprak mijn oudste dochter van 16 opgetogen terwijl ze met een laatste geeuw de nieuwe dag verwelkomde. Het woord gelukzalig moest wel voor zo’n moment zijn uitgevonden. Fonkelende ogen, brede glimlach, enthousiaste gebaren. We waren, in haar droom, met het gezin op uitstap in een pretpark. Mama, papa, zus en zijzelf. In het echte leven gebeurt dat hoogstens een keer om het jaar. Dus ja, enige pretlichtjes zijn dan wel gerechtvaardigd. 

Maar het mooiste moest nog komen. “Geen wachttijden. We mochten overal iedereen voorbijsteken. Zomaar. En ook gratis eten en drank.” Over dat laatste wil ik nog even zeggen dat we op zo’n dagen een picknickfamilie zijn. Of dat toch proberen. Tickets voor een pretpark zijn op zich al vrij duur. De wensdroom van gratis en gemakkelijk eten kan ik in die context zeker plaatsen. 

En wachttijden. Tja, dat kan al eens tegenvallen in een pretpark. Zeker op een zomerse dag. Of net geen zomerse dag. Onvoorspelbaar, tenzij tussen 11 en 15 uur: dan altijd prijs. Een half uur of langer. Tot een uur, zelfs twee. En je hebt wachtrijen buiten een attractie en eenmaal binnen (uit het zicht) heb je er ook nog.

Wachttijden horen erbij en zijn overal in de samenleving. Aan de kassa in een supermarkt, aan de ingang van een bioscoop om je ticket te controleren. (Toegegeven, de wachtrijen om een ticket te kopen worden wel korter). Aan het perron op het station. Aan de schoolpoort voor een inschrijving.  Aan de telefoon voor ict-hulp.  Waar je geen wachttijden hebt, zo klinkt het nuchtere boerenverstand,  moet er iets mis zijn met de kwaliteit of de service en word je gegarandeerd opgelicht waar je bij staat.

Schaarste doet nadenken

Zijn er wachttijden in de jeugdhulp? Ja, zeker. En op zich is het goed dat wat door de overheid wordt aangeboden niet onbeperkt voorradig is, want dan krijg je gegarandeerd misbruik en verkeerd en te veel gebruik van diensten. Schaarste doet nadenken over alternatieven, die soms nog beter werken dan het voorgeschreven origineel. Schaarste doet ook nadenken over wie echt dringende hulp nodig heeft.

Toch: te veel is trop. Consulenten, hulpverleners, jeugdrechters, journalisten: ze hebben gelijk dat ze aan die alarmbel blijven trekken. De maatschappelijke noden zijn hoog. De samenleving staat onder druk, het sociaal weefsel is niet bij iedereen sterk genoeg. De overheid wordt meer bevraagd, terwijl de buikriem wordt aangesnoerd. En ondanks stijgende investeringen en voorziene uitbreidingen:  de vraag overtreft het aanbod. Niet overal en niet altijd even dramatisch. En ja, er wordt nu al uitstekend werk verricht door alternatieve paden te bewandelen: minder (dure) residentiële plaatsing, meer thuisbegeleiding bijvoorbeeld. Of het inschakelen van het private aanbod op terreinen waar vroeger enkel de overheid exclusief mocht en kon opereren, zoals gesloten opvang.

Maar toch. Dat hulpverleners, consulenten, jeugdhulpregisseurs, jeugdrechters soms dagen, weken, maanden moeten zoeken naar een gepast antwoord op een terechte vraag: je zou er voor minder een nachtmerrie van krijgen. Temeer hoe vroeger kan ingegrepen worden, hoe minder de kost achteraf voor de gehele samenleving. 

Als columnist permiteer ik me toch even die vrijheid: dat ik ook een droom heb. Dat iemand het opneemt voor de jongeren om wie het gaat. Dat de hervorming die is ingezet in de jeugdhulp verder ontwikkeld kan worden, zonder dat er extra zand in de radertjes geraken. Dat er blijvend bijkomend wordt geïnvesteerd in capaciteit. Dat er tegelijk innovatieve zorgnetwerken rond jongeren gevormd worden. Laten we, overheid en private partners, daar echt werk van maken. Samen voor jongeren.

Peter Jan Bogaert is woordvoerder van het agentschap Jongerenwelzijn en trotse vader van twee tienermeisjes. Met een mix van nieuwsgierigheid en verwondering dook hij de boeiende wereld van de jeugdhulp in. In een aantal persoonlijke columns beschrijft hij wat hem opvalt en tekent.

Reactie toevoegen