Hulp heeft tijd nodig

“Slachtoffers kunnen nog steeds terecht bij Slachtofferonthaal”

De dienst Slachtofferonthaal van de justitiehuizen begeleidt slachtoffers en nabestaanden bij gerechtelijke procedures. Ook in de nasleep van de aanslagen op 22 maart. “De ontmoetingen met de onderzoeksrechter zijn vaak emotioneler dan slachtoffers vermoeden.”

Hoe herinnert u zich 22 maart 2016?

Tamara De Groof (dienst Slachtofferonthaal van het Brusselse justitiehuis): “Ik denk dat ik hetzelfde voelde als iedereen in Brussel: ongeloof, angst, paniek. We zaten hier opgesloten in het gebouw, aan de nieuwsuitzendingen gekluisterd. Mijn zus neemt elke dag de getroffen metrolijn, dus het was een grote opluchting toen ik haar hoorde. Maar je denkt natuurlijk ook meteen als hulpverlener. De dienst Slachtofferonthaal verleent geen eerstelijnshulp, maar we wisten wel dat deze aanslagen een grote invloed zouden hebben op onze dienst.”

Welke rol was weggelegd voor Slachtofferonthaal?

“In de week na de aanslagen hebben we veel vergaderd met de verschillende partners: het federaal parket, de onderzoeksrechters, de mensen van Slachtofferhulp en de politiediensten. Wie neemt welke taak op? Het was belangrijk om dat te verduidelijken. Wij hebben geprobeerd om zoveel mogelijk contactgegevens van slachtoffers en nabestaanden te verzamelen, om hen op de hoogte te brengen van onze diensten. Maar dat was zeker niet makkelijk. Normaal krijgen wij via het parket de contactgegevens van slachtoffers, die wij dan een schriftelijk dienstenaanbod sturen. Maar bij een ramp van deze omvang is dat heel moeilijk, want niet alle slachtoffers waren gekend. Bovendien waren er ook veel buitenlandse slachtoffers. De nabestaanden van de overledenen konden we vrij snel terugvinden, maar verder hebben we ons vooral gebaseerd op informatie uit ziekenhuizen en het noodcentrum in Leuven. Een volledige lijst hebben we helaas nooit kunnen samenstellen, maar uiteindelijk hebben we toch heel wat brieven verstuurd.”

Wat stond er in die brieven?

“Daarin stellen we Slachtofferonthaal voor. We maken slachtoffers en nabestaanden wegwijs in de gerechtelijke procedure en we staan hen ook bij tijdens de moeilijke momenten van die procedure.”

Kwamen er veel reacties?

“Intussen hebben we samen met onze Franstalige collega’s een 400-tal slachtoffers geholpen. Maar dat is wel heel geleidelijk gegaan. Na zo’n traumatiserende ervaring hebben de meeste slachtoffers wat tijd nodig voordat ze klaar zijn om juridische stappen te zetten. Toen we gestart zijn met de burgerlijke partijstellingen, stroomden de vragen van de slachtoffers binnen. Omdat de onderzoeksrechters vreesden overspoeld te worden door vragen, hebben ze ons gevraagd om de burgerlijke partijstellingen in goede banen te leiden. Alle aanvragen liepen dus via ons en wij maken afspraken met de onderzoeksrechters op vaste dagen. Vaak vormen we kleine groepjes van slachtoffers en begeleiden we hen tijdens het gesprek met de onderzoeksrechter. Die ontmoetingen zijn vaak emotioneler dan slachtoffers vooraf kunnen inschatten.”

Welke vragen kregen jullie nog?

“De meeste vragen gingen over verzekeringen en medische kosten. Maar we hebben ook mensen geholpen om persoonlijke bezittingen terug te krijgen. En veel slachtoffers wilden graag een duidelijk beeld krijgen van de dag zelf: op welke plek in de vertrekhal of metro stonden ze precies, zijn ze de daders tegengekomen, hoe is de dag precies verlopen? We onderzoeken momenteel samen met het parket hoe we de burgerlijke partijen de kans kunnen geven om de beelden te bekijken, want voor veel slachtoffers is het belangrijk om hun herinneringen te toetsen aan de realiteit. Ook nabestaanden hechten daar veel belang aan: wat was het laatste dat hun overleden moeder, vader, zoon, dochter of partner deed? We hebben ook nabestaanden bijgestaan tijdens de gesprekken met de wetsdokter, om de precieze oorzaak van het overlijden te horen.”

Was het de eerste keer dat jullie met een ramp van deze omvang te maken kregen?

“We hebben al omvangrijke dossiers behandeld, maar zo’n ramp hadden we nog niet meegemaakt. En gelukkig maar. Het maakt het werken er ook niet makkelijker op. We proberen in alle dossiers dezelfde diensten te bieden aan de slachtoffers, maar in dit geval was dit niet altijd mogelijk. Zo heb je als burgerlijke partij bijvoorbeeld recht op inzage in het dossier, maar nu werd dat niet toegestaan. Daarom hebben de onderzoeksrechters collectieve infomomenten georganiseerd.”

“Ook als hulpverleners moeten we onze plaats terugvinden.”

Heeft dit jullie als hulpverleners getekend?

“Absoluut, al begint dat pas de laatste weken door te dringen, nu het eindelijk wat rustiger wordt. We hebben heel veel gesprekken gevoerd met slachtoffers en veel van die verhalen zal ik nooit vergeten. Zo was ik onlangs voor het eerst weer op de luchthaven en dat vond ik toch heel aangrijpend. Maar het is ook moeilijk om ons ‘normale werk’ weer op te pakken. Alle dossiers die we na de aanslagen binnenkregen, leken ineens minder erg. Terwijl dat natuurlijk ook heel zware dossiers zijn: zaken met dodelijke slachtoffers, zedenfeiten of intrafamiliaal geweld. We moeten onze plaats terugvinden. Maar gelukkig wordt er goed voor ons gezorgd. Zo is er ook psychologische begeleiding voor medewerkers die daar nood aan hebben.”

Wat zal je hieruit meenemen?

“Er blijft toch een bepaalde frustratie hangen: hoezeer we ook ons best hebben gedaan, we hebben niet alle slachtoffers kunnen bereiken. Waardoor er soms nog mensen zijn die contact opnemen met onze dienst, zonder dat ze een aanbod vanuit onze dienst ontvangen hebben. Uiteraard kunnen we hen wel nog bijstaan in de verdere procedure. En gelukkig reageert iedereen begripvol, maar het is toch iets om mee te nemen in de evaluaties.”

Foto's
Jan Locus
Tags
132