Verlies de mens niet uit het oog

Broeder Stockman over geloof en zorg

Als je in de zorgsector werkt, dan moet je naar verluidt een roeping hebben om mensen te helpen. Als dat waar is, dan heeft Broeder Stockman als man van God een dubbele roeping. Vanuit zijn geloof en via de Broeders van Liefde bouwt hij mee aan een wereldwijd netwerk van zorgverlening. In zijn boek Christelijke identiteit. Een utopie? benadrukt hij de rol van soberheid, menselijkheid en spiritualiteit.

Soms leiden alle wegen naar Gent, de stad waar René Stockman woont en werkt. Hij is de generaal overste van de pauselijke congregatie van de Broeders van Liefde en is altijd onderweg. Naar een van de vele plekken in het buitenland waar zijn medebroeders hulp verlenen aan de zwaksten van de samenleving. Naar Rome, waar het hoofdkwartier van Broeders van Liefde is gevestigd. Naar een van de talrijke instellingen, werkplaatsen, scholen of kinderdagverblijven die door de Broeders van Liefde in ons land worden ingericht.

Dat laatste is misschien wel typisch Belgisch. In Nederland, waar de Broeders van Liefde historisch gezien ook sterk hebben gestaan, zijn de door hen opgerichte instellingen verzelfstandigd. De broeders hebben zich teruggetrokken en hebben het beheer overgelaten aan leken die in de geest van de congregatie werken. Het is een ontwikkeling die centraal staat in Christelijke identiteit. Een utopie? René Stockman schrijft open en realistisch over christelijk geïnspireerde zorg in een wereld die, althans in het Europa, steeds meer geseculariseerd is en op sommige punten zelfs ontkerstend. Realistisch betekent allerminst defaitistisch. Want de waarde van de christelijk geïnspireerde zorg blijft voor hem uniek, ook in de geschiedenis.

“Onze bekommernis is dat we in de zorg niet verglijden naar een totale verzakelijking.”
Wanneer Weliswaar met Broeder Stockman een afspraak heeft, blijkt het kerkrechtelijk onderzoek naar de heiligverklaring van Petrus Triest, de negentiende-eeuwse stichter van de Broeders van Liefde, net afgerond te zijn. Stockman staat op het punt om in het kielzog van een dossier van 21.000 bladzijden naar Rome te reizen. Triest staat, samen met Dr. Jozef Guislain, bekend als de grondlegger van de geestelijke gezondheidszorg in ons land.

De plaats van christelijk geïnspireerde zorg in onze samenleving hangt grotendeels samen met de rol die het christelijk geloof speelt. Overtuigde christenen nemen vandaag een minderheidsstandpunt in. René Stockman: “Spijtig genoeg stel ik dat vast. Het is niet mijn wil. Ik zou graag hebben dat het geloof ruim gedragen en beleefd wordt. Toen ik ruim 35 jaar geleden als directeur begon in de zorgverlening, kon ik heel spontaan en zonder gêne met de medewerkers een visie ontwikkelen. Het was vanzelfsprekend, nu niet meer. Vandaag is het belangrijk de moed te behouden om zo consequent mogelijk in de realiteit te staan, vanuit een welbepaalde visie.” Het hangt ook af van de plaats waar je je bevindt, zegt Stockman. “Ik heb dit boek niet alleen geschreven met de Vlaamse situatie in mijn achterhoofd. Als generaal overste reis ik al vijftien jaar de wereld rond. Dat zorgt er ongetwijfeld voor dat ik sommige dingen scherper zie, met meer afstand. Ik vind bijvoorbeeld niet dat religie in een samenleving apart moet wordt geplaatst. Voor mij heeft religie alles met het dagelijkse leven te maken.”

Broeder Stockman

René Stockman: “Ik vind niet dat wij beter zijn dan anderen, maar ik ga er wel vanuit dat caritas een meerwaarde geeft aan de zorg.”

Voor wie vergeten zou zijn waarom christenen de hulp aan zwakke medemensen als een cruciale taak ervaren, brengt Christelijke identiteit. Een utopie? redding. René Stockman legt in het eerste deel van het boek helder uit hoe Jezus radicaal de kant koos van de armen en zieken. Zoals in de parabel van de barmhartige Samaritaan of in het fameuze citaat uit het Evangelie volgens Matteüs: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” De zeven werken van barmhartigheid – waarvan er zes door Matteüs worden opgegeven – vormen de basis van de caritas, de liefdadigheid tegenover zwakken die voor een overtuigd christen de kern vormt van zijn geloofsbeleving.

De manier waarop geestelijke congregaties de caritas in de loop der eeuwen hebben georganiseerd, gaat rechtstreeks terug op cruciale christelijke geloofswaarden die zij op een eigen manier beleven. Maar wat gebeurt er met die eigenheid – het zogenaamde charisma – als draagkracht en de omvang van een orde afneemt? De uitdaging bestaat erin, zo schrijft Stockman, “om ook in deze zowel externe als interne pluralistische en geseculariseerde omgeving op een frisse wijze een nieuwe christelijke identiteit te handhaven, te ontwikkelen en in nieuwe vormen aan te bieden”.

Het zou echter verkeerd zijn om de westerse houding tegenover religie universeel te veralgemenen. In grote delen van Azië, Zuid-Amerika en Afrika speelt het christendom een centralere rol. Heeft dat een invloed op de manier waarop daar de christelijk geïnspireerde zorgverlening wordt georganiseerd?

René Stockman: “Ik kom net terug uit Peru en Nicaragua. Daar heb ik de lokale voorzieningen van de Broeders van Liefde bezocht. Het gaat dan om kleinere initiatieven, zoals een dagcentrum voor kinderen met een mentale handicap, een instelling voor mensen met psychiatrische problemen of een drugvrije gemeenschap. Ik heb er mensen ontmoet die me zegden dat ze hun zorgberoep met religieuze bezieling uitvoerden. En dat is voelbaar, in de hele sfeer, in de kleine dingen. Dat trof me. Je moet er rekening mee houden dat de samenleving daar met een pak meer afstand kijkt naar mensen met een handicap en mentale problemen. De betrokkenheid met het lot van die mensen is er anders, minder gestructureerd. Als je in die context ervoor kiest om met hulpbehoevende mensen te werken, dan is dat een bewuste keuze, waarbij de religieuze overtuiging een belangrijke rol speelt.”

Hebt u dan het gevoel dat u daar nog iets van kan leren?

“Volgende maand zit ik in Afrika, waar de Broeders van Liefde wat grotere voorzieningen inrichten. Daar zit je vaak nog in een sfeer dat mensen met mentale problemen afgezonderd worden of rondlopen zonder zorg. Ook daar merk je dat wie ervoor kiest om met die zwakkeren te werken dat doet vanuit een heel sterke religieuze motivatie. Dat maakt de context helemaal anders. We hebben net de tweehonderdste verjaardag van het breken van de boeien op 30 september 1815 herdacht. Op die dag stapten de Broeders van Liefde de crypte van het Geeraard de Duivelsteen in Gent binnen. Ze hebben er de gevangen geesteszieken letterlijk van hun boeien bevrijd. De geesteszieken van toen werden immers door de samenleving niet als volwaardige mensen beschouwd, maar als dieren of bezetenen. Die historische daad van mijn voorgangers was ook zeer duidelijk geïnspireerd door hun geloof. Tot op vandaag dragen we er de vruchten van. De zorg voor geesteszieken is bij ons breed verspreid en goed georganiseerd. Het is vanzelfsprekend dat we die mensen niet in de steek laten. De motivatie van hedendaagse zorgverleners is doorgaans humaan getint, maar ik mis dan de religieuze bezieling. Dat is een duidelijk verschil met landen in Afrika of Zuid-Amerika.”

In Christelijke identiteit. Een utopie? vertelt u dat er een verschil bestaat tussen de christelijke caritas en de filantropie. Ze zijn voor u niet volledig inwisselbaar, ook niet in een samenleving die humane waarden nastreeft.

“De zorg voor de medemens is in onze samenleving een breed gedragen maatschappelijke waarde. Die humane zorg is geen privilege van mensen met een religieuze bezieling of motivatie. Maar ik geloof wel sterk dat die zorg historisch gezien sterk beïnvloed is geweest door de inzet van mensen die volgens hun geloof handelden. Zij hebben een beweging in gang gezet waar iedereen zich vandaag in kan vinden, en die vandaag niet noodzakelijk meer religieus geduid hoeft te worden. Het succes van het christelijke geloof zit hem net in het feit dat het concrete engagement voor de zwakkeren is overgenomen door de brede samenleving. Het gevaar is volgens mij reëel dat die algemeen aanvaarde humane zorgcultuur verzakelijkt en technischer wordt, zodat de humane dimensie stelselmatig verdampt. Ik vrees dat we vandaag in die fase zitten. De oorspronkelijke ziel van de zorg dreigt te verdwijnen. Daarom blijft voor mij de caritas belangrijk. Met caritas bedoel ik eigenlijk een manier om mensen te benaderen: liefde, compassie en actie op een professionele wijze. Bij de zorgverlening zie je mensen in nood van wie je de nood tracht te lenigen. Bij de caritas bekijk je de mensen vanuit een liefdevolle grondhouding. Dat is een essentieel verschil. Wij, religieus geïnspireerden, benaderen mensen met liefde. Het is Gods liefde die door ons schijnt in de wereld. Als we met liefde kijken, dan laten we ons raken door de pijn van de medemens. Dat is de compassie. Het medelijden vormt voor mij het hart van de caritas. Daar zit het verschil met het ‘technisch’ verzorgen van iemand, wat je correct en zonder medelijden kan doen. Je kan in de filantropie je hart tonen, geïnspireerd door andere waarden. Maar het hart van de caritas is dus voor mij afwezig in de filantropie.”

U ziet ook een verschil tussen professioneel en technisch correct handelen?

“De caritas inspireert onze zorgverlening, die we professioneel beoefenen. Als ik me kan laten bijscholen om professioneler te worden, zal ik dat zeker doen. Louter de techniek van de zorg beoefenen leidt echter tot verzakelijking. Iedereen die in een ziekenhuis wordt opgenomen ervaart het verschil tussen iemand die je professioneel behandelt als mens en iemand die je technisch benadert. Voor die laatste ben je een object.”

 

Hoe brengt u de idee van caritas over in instellingen en bij medewerkers die minder gelovig dan vroeger zijn?

“Ik herinner me de tijd dat caritas en geloof een gedeelde taal waren. We moesten er weinig woorden aan verspillen. Dat is totaal veranderd. We hebben een strategie ontwikkeld om onze medewerkers aan te moedigen om vanuit diepere motieven zorg te verlenen. De beginsituatie is heel anders. Onze medewerkers kiezen bewust voor de zorgsector. Vandaag vinden we elkaar dus in de zorg, minder in het geloof. Op basis van de zorg proberen we samen op weg te gaan, een pastorale werking uit te bouwen en de spiritualiteit van de Broeders van Liefde aan te reiken. We trachten de professionele zorg letterlijk te inspireren. Er zijn best wel mensen die daarin meestappen, die de spiritualiteit mee herontdekken. Dat is de weg die we moeten bewandelen.”

 

 

 

 

 

 

 

 

René Stockman: “Het geld dat we winnen door overbodige luxe niet te bekostigen, kunnen we in holistische zorg stoppen.”

 

 
Het verzet tegen de verzakelijking van de zorg wordt toch ook gedeeld door heel wat niet-gelovige zorgverleners?

“Dat klopt. Het is zeker niet onze bedoeling om het geloof op te dringen. Goede zorg geven blijft het doel. Uiteraard bieden we onze inspiratie aan om dat doel te bereiken. Dat is onze overtuiging. We moeten die inspiratie ook onder woorden brengen en durven aanbieden. Het is een vrij en blij aanbod. Maar als onze medewerkers andere, niet-gelovige bronnen vinden om zich te motiveren, dan zijn we er ook blij mee. Daardoor ontstaat er diversiteit in onze voorzieningen. Onze bekommernis is dat we in de zorg niet verglijden naar een totale verzakelijking en dat onze medewerkers met een hart in de zorg blijven staan.”

Als de religieuze bezieling in de zorg terugloopt, moet je dan niet op zoek naar objectievere, neutralere normen en waarden?

“Als alles neutraal wordt, verlies je de ziel van de zorg. En dan zit je op het pad dat tot verzakelijking leidt. Ik vind niet dat wij beter zijn dan anderen, maar ik ga er wel vanuit dat caritas een meerwaarde geeft aan de zorg.  Er moet ruimte blijven om caritatieve zorg te ontwikkelen. Zorg heeft spiritualiteit nodig. De Broeders van Liefde bieden die zorg aan vanuit hun overtuiging. Maar er zijn uiteraard andere vormen van inspiratie mogelijk. Ik ben in elk geval voor een levende zorg, niet voor een neutrale zorg. Ik heb niets tegen secularisering, maar laat de vrije ruimte voor verschillende levensopvattingen, ook via de overheid. Terwijl de overheid vandaag toch vaak zegt dat we sommige handelingen niet meer mogen verrichten vanuit onze religieuze motivatie. Dat is een totaal verkeerd ingevulde pluraliteit. De instellingen van de Broeders van Liefde staan open voor iedereen. Het christelijk geloof is geen elitaire aangelegenheid. Wij halen er een motivatie uit om ons werk zo goed mogelijk te doen.”

Heeft de superdiversiteit van de samenleving die gelovige inspiratie veranderd?

“We moeten ons altijd aanpassen aan de behoeften die er zijn. Met de vluchtelingencrisis zal ook de zorg straks overrompeld worden. We moeten ons vandaag structureel voorbereiden om die mensen de gepaste zorg aan te bieden. Zo zit goede zorgverlening nu eenmaal in elkaar.”

Een zakelijke benadering is misschien efficiënter en spaart geld uit dat in meer en betere zorg kan worden geïnvesteerd. Heeft caritas ook een kostprijs?

“Caritas is niet hetzelfde als gratis zorgverlening. Je kan het niet verengen tot een caritatieve bezigheid, gratis en voor niets. Voor mij gaat het om de diepere motieven waarmee je aan zorg doet. Tegelijk is caritas een sociale aangelegenheid. De samenleving zorgt voor de zwakste schakels en heeft daar de nodige financiële middelen voor over. We komen op voor voldoende middelen voor basiszorg in de psychiatrie. Dat engagement is ook caritas. Maar ik besef zeer goed dat we ook veel zouden kunnen bereiken met minder middelen, zeker als ik zie wat er in landen als Peru of Nicaragua gebeurt. Daar wordt het gebrek aan middelen gecompenseerd door een enorme bezieling. Geld is niet alles. Eisen we niet te veel? Ik weet dat het een gevoelig punt is, maar soms vraag ik me af of een ziekenhuis na dertig jaar een volledige nieuwbouw nodig heeft. Als ik de hoeveelheid gemeenschapsgeld zie die we daarvoor vrijmaken, voor het zetten van een gebouw dat uitpuilt van luxe, dan vraag ik me af of dat alles essentieel is voor het geven van goede zorg. Dat contrast choqueert me soms. Wordt het geld niet verspild aan omkadering die niets met het geven van goede zorg te maken heeft, maar alles met het verlangen van de mensen? Maar misschien ben ik niet meer mee met onze hooggestemde verwachtingen, omdat ik in het buitenland zo vaak geconfronteerd wordt met precaire, nederige situaties.”

Als je, zoals u voorstelt, een meer holistische zorg organiseert, moet je toch ook investeren?

“Het geld dat we winnen door overbodige luxe niet te bekostigen, kunnen we in die holistische zorg stoppen. Men heeft geen aandacht meer voor de tijd die je nodig hebt om ziek te zijn. Gaan we bijvoorbeeld niet te ver als we mensen zo snel mogelijk uit het ziekenhuis ontslaan? Een efficiënte behandeling heeft een kostprijs, maar we verliezen uit het oog dat er een mens is die de behandeling ondergaat. We moeten naar die totale mens blijven kijken. De holistische aanpak heeft inderdaad een prijs, maar laat ons vooral het globale bestedingspatroon onder de loep nemen. Ook intern voeren we die discussie.”

Past de vermaatschappelijking van de zorg in die holistische aanpak?

“Vermaatschappelijking van de zorg is een goede zaak, op voorwaarde dat je het op de juiste manier hanteert. Als het een excuus is om te besparen, dan klopt het niet. In de geestelijke gezondheidszorg doet de vermaatschappelijking opgeld, wat goed is voor de maatschappij en voor de patiënt. De omgeving toont een grotere bereidheid om mee voor die mensen in te staan. Daar heb ik, toen ik actief was in België, zelf aan meegewerkt, door me in te zetten voor psychiatrische verzorgingstehuizen en beschut wonen. We moeten ons immers altijd blijven afvragen wat het beste is voor de patiënt zelf. Sommige mensen kunnen zich niet volledig integreren in de samenleving, dat is de realiteit in de psychiatrie. Daarvoor heb je goede tussenoplossingen nodig. Ik herinner me hoe in de jaren zeventig in Italië vermaatschappelijking ook een belangrijke ontwikkeling was, met het sluiten van de grote instellingen als gevolg. En tot vandaag vind je patiënten onder de bruggen van Rome. Dat kunnen we toch niet maken.”

>> René Stockman, Christelijke identiteit. Een utopie? Pelckmans, 2015, 188 p. ISBN 9789028981966

Foto's
Jan Locus

Reactie toevoegen