Herman De Dijn zoekt in de zorg naar menselijke waardigheid

Zorg als verzet

Welzijn is niet noodzakelijk een kwestie van de juiste pillen en een sluitende behandeling. Integendeel, zegt Herman De Dijn. Hij benadrukt het feit dat er een verschil bestaat tussen verzorgen en oplossen. We moeten leren aanvaarden dat wij, mensen, wezens met beperkingen zijn.

De mens is de maat van alle dingen, beweerde de antieke Griekse filosoof Protagoras. Ruim 2.500 jaar later plaatsen sommige van onze tijdgenoten daar om uiteenlopende redenen vragen bij. Wie rotsvast in vooruitgang gelooft, zal wellicht heel wat van technologie verwachten, en minder van de ontwikkeling van de mens. Zo vindt internetondernemer Peter Hinssen dat overheidsbeslissingen vaak beter genomen zouden worden door computers dan door mensen. Dat belooft als zo meteen de grote technologische disruptie ook de welzijnszorg zal bereiken. De grens tussen commercie en geloofwaardige menselijke zorg zal vaak worden getest. Ook filosoof en professor emeritus Herman De Dijn zou een aardige discussie kunnen voeren met Protagoras. De Dijn beschrijft hoe ‘de mens als maat van alle dingen’ nu de figuur heeft aangenomen van de allesoverheersende individuele zelfbeschikking. Al die delen van ons leven waar we vroeger geen economische waarde op kleefden, zoals de zorg voor elkaar, vormen vandaag een markt met vraag en aanbod. En op die markt heb je consumenten die als individuen denken en handelen, en ook als individu willen worden behandeld. Een pijnlijk gevolg hiervan, schrijft De Dijn, is dat we ook de illusie hebben dat we voor alle ziekten en kwaaltjes objectieve, meetbare oplossingen kunnen vinden. De neveneffecten van die situatie, zoals Herman De Dijn ze beschrijft in zijn boek Vloeibare waarden. Politiek, zorg en onderwijs in de laatmoderne tijd, zijn nefast. Echte vrijheid, reëel pluralisme en menswaardige zorg komen in het gedrang.

Efficiëntie en wetenschap



Herman De Dijn: “Ik schreef in de jaren negentig al over kwaliteitszorg, naar aanleiding van de oprichting van LUCAS, het interdisciplinair kenniscentrum van de KU Leuven op het gebied van zorg en welzijn. De bedoeling was om de zorg in verband te brengen met nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Op die manier zou de zorg kunnen verbeteren. Toen ik erover begon na te denken, leek het me een machtsgreep op de zorg. Ik stelde me de vraag of het wel mogelijk was zorg op een puur technisch-wetenschappelijke manier te organiseren. Zouden we dan de ziel van de zorg niet verliezen? Ik schreef er toen een boek over: De herontdekking van de ziel. Voor een volwaardige kwaliteitszorg. Efficiëntie en wetenschap zijn uiteraard nodig voor de zorg, om de eenvoudige reden dat we in de zorg oplossingen moeten bieden voor dringende problemen, zoals ziektes en ongevallen. Alleen al om deontologische redenen verlangen we ernaar onze toenemende kennis en kunde in de zorg in te schakelen. Dat belet niet dat er een ethische dimensie in de zorg zit die we niet kunnen herleiden tot techniek en wetenschap. Het gaat in de zorg dus niet om het oplossen van wetenschappelijke problemen, maar om het beantwoorden van een ethisch appel. En daarvoor gebruiken we alle middelen die voorhanden zijn. Door de enorme wetenschappelijke ontwikkelingen in onze cultuur krijgen we echter de indruk dat alles draait om het kunnen en kennen. Dat is volgens mij fundamenteel verkeerd.”

Wat is er dan zo gevaarlijk aan die situatie?

“We stellen niet meer de vragen die we moeten stellen. Alles lijkt uit de objectieve wetenschappelijke ontwikkelingen te volgen. Dat is helemaal niet waar. Je hebt altijd een opvatting over zorg, met daarbij horende ethische normen en waarden. Is het vanzelfsprekend wat zorg is? Nee, helemaal niet. De zorg zelf is een waarde, maar die waarde is vloeibaar geworden. De opvatting die we tot voor kort over zorg hadden, hield verband met het onderscheid tussen dringende zorg enerzijds en zinproblemen anderzijds. Een zieke mens moet je helpen. Die kan je niet voorbijlopen. Dat is dringend en fundamenteel, zoals in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Maar als je ongelukkig bent omdat je lief je in de steek hebt gelaten, dan heb je geen zorgprobleem. Ik heb geen plicht om mijn medemens te beminnen, maar wel om hem te helpen als hij op straat onwel wordt. Dat verschil tussen redelijke en onredelijke zorgvragen is vandaag wat mistig. Het is, of beter het was, niet de taak van de geneeskunde om ons gelukkig te maken, maar om ons te helpen in dringende nood. Vandaag echter moet de zorgsector een antwoord op al onze vragen geven. Alle problemen zijn van dezelfde aard, horen thuis in de zorg en zijn oplosbaar, door de inbreng van techniek en wetenschap. Een gevolg is dat de zorg en de geneeskunde fundamenteel veranderen, niet door de technische vooruitgang, maar doordat we anders nadenken over het menselijk leven. Als praktijk zijn zorg en geneeskunde verbonden met levensbeschouwing, met fundamentele gedachten over ons bestaan."

Oplosbare versus onoplosbare problemen

Dat bedoelt u met lifestyle-geneeskunde: geneeskunde die de ambitie heeft alle medische problemen op te lossen?

"Alle problemen die mensen hebben, op welk gebied ook, krijgen vandaag een medische variant. De normale, gezonde mens is nu ook een patiënt, want geneeskunde beperkt zich allang niet meer tot redelijke zorgvragen en dringende hulp. Het gaat nu onveranderlijk om problemen die in principe oplosbaar zijn. Dit is een enorme maatschappelijke evolutie die ons last berokkent. Is niet gelukkig zijn een ziekte? Is het niet kunnen krijgen van kinderen een ziekte? Is liefdesverdriet een ziekte? Zeer velen denken van wel. Mensen hebben haast geen keuze meer om anders te denken. De filosoof Hegel zou zeggen dat er een omslag in de objectieve geest is gebeurd. Vroeger was geluk letterlijk iets dat moet lukken, iets dat afhing van de toevalligheden van het leven. Haast niemand denkt nog zo. Er is een wetenschap van het geluk, geluk is maakbaar. We beseffen te weinig dat die radicale verandering een totaal andere setting oplevert voor ons denken en handelen."

Terwijl wetenschappelijke ontwikkelingen wel degelijk ons geluk hebben doen toenemen, eenvoudigweg door tal van levensbedreigende ziektes en infecties terug te dringen.

"Ja, maar het gaat erom hoe we maakbaarheid invullen. Neem nu het toeval dat je de ware liefde tegenkomt. Misschien is dat minder toevallig dan we denken. Wie jou heel goed kent, zal wel degelijk kunnen voorspellen wie de ware kan zijn. Het toeval heeft in dit geval minder met onvoorspelbaarheid te maken, wel met openheid voor het wonder. Bij de ware liefde is het vooral wonderlijk dat de ene mens ja zegt tegen de andere. Er blijven allerlei aspecten van het menselijke leven die ondanks wetenschappelijke verklaring, wonderlijk blijven zijn. Je zou dus ook kunnen zeggen dat alleen de nadruk leggen op wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld in de zorg, tegelijkertijd een verlies met zich meebrengt, een verlies van aandacht voor het wonderlijke, het ethische bijvoorbeeld."

Is het niet tegenstrijdig dat we onszelf minder goed zouden begrijpen? We leven toch in een samenleving die, net als in de zorg, zoveel mogelijk op maat van het unieke individu probeert te werken?

“Iedereen wil nu hetzelfde: autonomie, zichzelf zoveel mogelijk ontplooien, empowerment. Mensen hebben echter niet eigenhandig beslist dat die dingen centraal staan in hun leven. We leven in een maatschappij waarin we verplicht vrij zijn. Voor de zorg is iedereen een cliënt. En iedereen denkt dat die empowerment voor hem bereikbaar moet zijn – terwijl je vroeger toch meer rekening hield met de kracht van het toeval. Het gevolg daarvan is dat de zorgsector een enorme machine moet worden om aan al die reële noden en hedendaagse verlangens tegemoet te komen. De ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg zijn bijvoorbeeld ongelofelijk. Iedereen moet er met al zijn problemen terechtkunnen, zodat de grens tussen reële zorg en lifestyle-zorg soms dun wordt. Uiteraard kan die sector al die vragen niet de baas. We hebben sinds jaren een extreme aanwas van zorgvragen, zowel serieuze als minder serieuze. De zorgsector werkt met bedwelmende ideeën als autonomie en empowerment. Ze moeten op maat van de cliënt werken. Dat is zeer positief als je bijvoorbeeld gehandicapt bent en volwaardig deel wil nemen aan het maatschappelijke leven – een verlangen waar we vroeger niet noodzakelijk rekening mee hielden. Maar waar houdt dan de maat van de cliënt op? Elke vraag van de cliënt is in principe een goeie vraag. Er is geen maatschappelijk criterium meer om redelijke van onredelijke vragen te onderscheiden. Zelfs de technische kostprijs van de zorg biedt geen oplossing, want wie zal zeggen of het verlangen van een koppel dat kinderen wil belangrijker is dan de wens van een mindervalide om zijn zorg zelf te organiseren? Alle verlangens zijn verlangens, en die worden bij voorkeur verdedigd door een belangengroep. Politieke druk en media-aandacht spelen een grote rol. Er is geen criterium meer om te zeggen dat een bepaald verlangen onredelijk is, tenzij het om ronduit exuberante dingen gaat. Dat is een enorm probleem voor de zorgsector.”

Levenskwaliteit en hoe die te overleven

Er zijn toch ook verliezers in dat scenario: de mensen die niet meer meekunnen?

“Oudere mensen bijvoorbeeld. Vroeger vormden ze geen ballast en hadden ze een zeker waardigheid. Als je vandaag oud bent, dan tel je niet meer mee, dan kan je niets meer. De waardigheid van het individu telt niet meer, of wat je vroeger hebt gepresteerd. Alleen je levensverwachtingen tellen nog, de qaly’s (quality-adjusted life year, een levensjaar in goede gezondheid, is een begrip dat gebruikt wordt om de economische effectiviteit van een behandeling in de zorg af te wegen, nvdr). Stel je voor! Wat is dat dan levensverwachting? Dat ik nog een vrouw kan versieren? Of op reis gaan om allerlei interessante ervaringen op te doen? Duidelijk vind ik het begrip levensverwachting allerminst, maar wie wel in het systeem van qaly’s gelooft, zal het over levenskwaliteit, ‘zich goed voelen’ hebben. Stel dat ik me relatief niet goed voel, maar dat het me niet kan schelen omdat ik graag mijn kleinkinderen zie rondlopen. Dat is toch een totaal andere benadering van de levenskwaliteit?”

Speelt de kostprijs van de zorg dan geen rol bij het verdelen van zorg?

“Het is volgens mij niet de vergrijzing die de kostprijs van de zorg doet stijgen, maar wel de prijs van de nieuwe medicijnen en behandelingen én de excessieve verwachtingen van ‘cliënten’. De vragen zijn almaar talrijker, de kosten almaar hoger. Hoe gaat de zorg dat bolwerken? Wel, door de vermaatschappelijking van de zorg, zeker van de zorg die wat onduidelijk is, zoals de geestelijke gezondheidszorg. Een open beenbreuk is sneller behandeld dan iemand met langdurige psychische problemen. Stel dat je jarenlang opgenomen bent in het psychiatrisch ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw in Brugge. Die opname kost handenvol geld en verbetering is vaak gering. Daarbovenop komen alle andere mensen met psychische problemen, die tijd en behandeling vragen. Ondoenbaar. Wel, we hebben besloten de zorg terug te sturen naar de maatschappij. Dat is een enorme kostenbesparing. We maken klinieken leeg. Maar die mensen zijn ook moderne, autonome individuen met problemen en ze willen geholpen worden. Dus ondersteunen we ze met begeleiders, mantelzorg en vormen van ambulante zorg. Veel van die mensen zouden in de familie moeten worden opgevangen. Maar die familie werkt en heeft het al druk genoeg met de opvang van hun kinderen, laat staan dat ze ook hun gekken en ouderlingen erbij zouden moeten nemen. Is dat een vanzelfsprekende verwachting? Mensen zijn doorgaans niet bereid om dat te doen, net zomin als ouderen ervoor staan te springen, want zij willen geen last zijn.”

Oases in de zorg

Is het dan geen tekort dat we over een heikel begrip als vermaatschappelijking zo weinig discussie voeren?

“Zoals individuele mensen er niet voor gekozen hebben die enigszins dwaze gedachten te hebben, zo heeft de maatschappij er niet voor gekozen de mentaliteit te hebben die ze heeft. Mij treft het hoe enorm mensen worden beïnvloed door de tijd en hoe ongelofelijk weinig mensen er zijn die erin slagen om hun situatie niet evident te vinden. Je kan echter kritisch denken zonder een oplossing te vinden. Men verwijt me soms pessimisme, maar ik ben als filosoof ten gronde een realist. Ik probeer eerst te zien in welke situatie we ons bevinden en probeer dan zo eerlijk mogelijk na te denken. Ik doe dit werk graag. Ik onderzoek complexe maatschappelijke miserie, net zoals een chemicus moleculen uit elkaar haalt. De invloed van onze huidige mentaliteit, versterkt door techniek en wetenschap, zal niet snel doorbroken worden. Anderzijds ben ik ook een burger, en heb ik als individu verlangens en oordelen. Als mens heb ik, zoals te verwachten valt beperkte ideeën over hoe je de huidige mentaliteit zou kunnen doorbreken. Het probleem is eenvoudigweg te enorm en te veelkantig. Ik heb wel de indruk dat er hier en daar krachten zijn die tegen de huidige mentaliteit ingaan, krachten die je kunt steunen, maar dan verlaat ik uiteraard de analyse. Daarom schrijf ik ook in mijn boek dat ik betrokken ben. Precies vanuit die betrokkenheid schrijf ik neer wat ik denk en probeer ik ook hier en daar het begin van een oplossing te vinden. Geen algemene oplossing uiteraard, want die is onvoorspelbaar. Ik volg Hegel daarin: er komt een revolutie. Zoals de oude naoorlogse wereld opgegaan is een marktgedreven samenleving, zo zal er onvermijdelijk ook weer iets nieuws komen. Niets is eeuwig. De huidige mentaliteit zal niet blijven. Belet dat dat je inzet om dingen te verwezenlijken? Helemaal niet. Ik zet me bijvoorbeeld in door kritiek te uiten op de universiteit of het zorgsysteem. In mijn boek spreek ik over oases, hier en daar heb je die. Dingen die het systeem op stelten zetten of aantonen dat het zo niet kan blijven werken. Regelarme zorg bijvoorbeeld, zoals in Nederland. Minder administratie, meer tijd voor het klassieke werk. Eigenlijk doe je het werk zoals je het vroeger deed, maar dan in een hedendaagse setting. Ik vind dat we die oases moeten opzoeken en steunen. Dat noem ik hoop. Die hoop heeft niets met waarschijnlijkheid te maken, eerder met wat objectief onwaarschijnlijk is. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de kafkaiaanse toestanden in de regelgeving snel zullen veranderen. Moeten we dan toch niet proberen om ze veranderen? Jazeker. Dat is hoop. Vroeger nam de utopie wrede vormen aan. Vandaag leven we in een samenleving met een softe utopie, de beheersingsgedachte: alle problemen zijn oplosbaar. Dat kan niet lukken, maar die softe utopie kan ook niet blijven duren. Maar niets weerhoudt ons ervan om weerstand te bieden.”



Als de consensus er volgens u in bestaat dat alles wordt gelijkgetrokken – meningen, levensbeschouwingen, problemen –, waar ligt dan de meerwaarde van ons zorgsysteem dat nog steeds volgens levensbeschouwelijke lijnen is georganiseerd?

“We hebben de indruk dat in de zorg alles te maken heeft met procedures, techniek en wetenschap. Maar dat is niet juist. Er is een ethische component, zonder dat men het beseft. Autonomie bijvoorbeeld: iedereen doet wat hij wil, op voorwaarde dat hij een ander niet schaadt. De druk van concurrentie, wetenschap en techniek zijn enorm, op iedereen, ook op mensen met een uitgesproken levensbeschouwing, zoals katholieken. Die vragen zich dan nog af te toe af: zijn we wel echt goed bezig? Waar maken we nog het verschil? Dan krijg je een interessant probleem, dat zeker in de zorgsector nauwelijks nog op tafel komt. Gaat het alleen over competenties en empowerment, of gaat het ook nog over iets anders: menselijke waardigheid? Wie spreekt daar nu nog over?"



>> Herman De Dijn, Vloeibare waarden. Politiek, zorg en onderwijs in de laatmoderne tijd, Pelckmans, 2014, 184 p. ISBN 9789028976870. € 19,50

Foto's
Jan Locus

Reactie toevoegen