Tijd voor sociaal beleid

26ste editie van het jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting focust op lokale verkiezingen

‘Tijd voor sociaal beleid’ is de titel van de 26ste editie van het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting. Het boek verkent uitdagingen en opportuniteiten van het lokaal sociaal beleid als belangrijke hefboom tegen armoede. Er wordt stilgestaan bij recente veranderingen en aanbevelingen voor de toekomst met betrekking tot lokale besturen, samenwerking in netwerken, vermarkting en participatie van mensen in armoede.

Het Jaarboek bundelt hiervoor een bonte verzameling van bijdragen over lokaal sociaal beleid. De auteurs beantwoorden vragen, zoals: wat verwachten mensen in armoede van het lokale beleid? Welke stemmen moeten in de ontwikkeling van het beleid meegenomen worden? Welke veranderingen brengt het nieuwe decreet Lokaal Sociaal Beleid met zich mee? Wat is het potentieel van lokale netwerken in de bestrijding van complexe sociale problemen en welke rol kunnen lokale besturen daarin spelen? Hoe beoordelen gebruikers de hulpverlening die voortvloeit uit lokale netwerken? Wat zijn de succesfactoren voor een meer interdisciplinaire samenwerking in de uitvoering van lokaal sociaal beleid? Welke impact hebben fenomenen als individualisering, vermarkting, privatisering en commercialisering op de ontwikkeling en de effectiviteit van lokaal sociaal beleid?

Editie 26 van het jaarboek draagt de titel ‘Tijd voor sociaal beleid’ en biedt aanbevelingen voor een krachtig lokaal sociaal beleid. De naderende lokale verkiezingen zijn een goed moment om na te denken over een doelmatig lokaal armoedebeleid. Het relatieve armoederisico in België blijft hoog: 15,5%. In Vlaanderen is dat 10,5%. Bij Belgische kinderen loopt het risico op tot 17,8% (cijfers van EU-SILC 2016). In gemeenten als Antwerpen, Maasmechelen, Nieuwpoort, Genk, Blankenberge, Boom en Oostende stijgt het percentage zelfs tot boven de 27%. In Schilde, Kruishoutem, Zoutleeuw en Vleteren is het minder dan 1% (cijfers van Kind & Gezin 2016).

De bestuurskracht van lokale besturen is beperkt 

We stellen vast dat lokale overheden steeds meer verantwoordelijkheid krijgen voor het uitvoeren en ontwikkelen van lokaal sociaal beleid. Er wordt verwacht dat zij de problemen van hun kwetsbare inwoners zelf aanpakken, zonder dat zij hiervoor genoeg capaciteit hebben en terwijl hun bestuurskracht beperkt is.

Verschillende factoren hebben invloed op die bestuurskracht. Om te beginnen de aanwezigheid van al dan niet geoormerkte subsidies van hogere overheden: als lokale besturen budgetten hebben die groot genoeg zijn om zelf aan armoedebestrijding te doen, zal hun bestuurskracht groter zijn. Maar ook sociaal-economische evoluties, zoals wijzigingen in het arbeidsmarktbeleid en de huidige asielcrisis, blijken invloed te hebben op de lokale bestuurskracht: ze doen de vraag naar armoedebestrijding toenemen of afnemen. Bestaande voorzieningen zoals jeugdwerk, zorgvoorzieningen en solidariteitsacties zijn in bepaalde gemeentes meer aanwezig dan in andere, wat ook invloed heeft op de bestuurskracht.

De overheid moet zich bewust zijn van deze verschillen en er rekening mee houden bij het uittekenen van het beleid. De onderzoekers pleiten ook voor meer geoormerkte subsidies, die specifiek voor sociaal beleid ingezet moeten worden. 

Lokale variaties in toekenning van leefloon

OCMW’s zijn verantwoordelijk voor de toekenning van leeflonen. Uit het onderzoek blijkt dat eenzelfde type cliënt in de ene gemeente wél een leefloon zou ontvangen, en in de andere niet. Dit hangt onder andere af van de grootte van de gemeente en de leeftijd en attitude van de hoofdmaatschappelijk werker. In grotere gemeenten hebben cliënten zowel meer kans op het ontvangen van een leefloon, als op een sanctie (nl. het verliezen van het leefloon). Hoe ouder de maatschappelijk werker, hoe lager de (voorspelde) kans op een leefloon en hoe hoger de (voorspelde) kans op een sanctie. Hoe meer belang het teamhoofd hecht aan controle van cliënten en aan het belang van sancties in de welvaartsstaat in het algemeen, hoe meer maatschappelijk werkers voorspellen dat er gesanctioneerd zal worden in hun gemeente.

 

Eenvoudigere toekenning van rechten kan onderbescherming tegengaan

Onderbescherming blijft een reëel probleem in onze samenleving. Het kan gaan over het niet opnemen van het recht op financiële bijstand of een leefloon, of over een situatie waarbij de sociale grondrechten van burgers niet worden uitgeput. Onderzoekers stellen vast dat nog te veel Belgen op verschillende levensdomeinen geen menswaardig bestaan kunnen leiden. Denk aan een degelijke woning, toegankelijke gezondheidszorg, culturele en maatschappelijke ontplooiing. Voor bepaalde groepen zou het administratief eenvoudiger gemaakt kunnen worden om een leefloon te krijgen. Bijvoorbeeld voor vrouwen die tijdens hun huwelijk niet werkten en na een echtscheiding alleen komen te staan zonder inkomen, voor vluchtelingen die nog onvoldoende werkten in ons land, voor studenten die geen hulp krijgen van hun ouders… De onderzoekers pleiten ook voor een verplichte (automatische) rechtentoets zodat doelgroepen alles krijgen waar ze recht op hebben. Bijvoorbeeld premies voor huisvesting, kinderbijslag of studietoelagen. Dat kan een belangrijke verantwoordelijkheid zijn voor het lokale OCMW.

Vermarkting zorgt voor afroming van de meest kwetsbare doelgroepen

Het zorgaanbod wordt steeds bedrijfsmatiger georganiseerd. Er wordt meer nadruk gelegd op resultaten en er wordt gehandeld op basis van vraag en aanbod. Onderzoek wijst uit dat dit leidt tot uitsluiting van de meest kwetsbare doelgroepen. De onderzoekers pleiten in dit kader voor voorzichtigheid en bezorgdheid. Samenwerking en netwerking tussen verschillende organisaties kan ervoor zorgen dat de meest kwetsbare groepen toch meegenomen worden in onze samenleving.

We creëren vandaag de armoede van morgen

Kinderarmoede blijft een groot probleem. Op federaal en Vlaams niveau zouden de uitkeringen boven de armoederisicogrens gebracht moeten worden, een oproep die jaarlijks herhaald wordt bij de publicatie van het jaarboek. Op lokaal niveau moeten organisaties beter samenwerken om kinderarmoede te bestrijden en zo de armoede van morgen mee te voorkomen. Netwerken kunnen meer proactief en outreachend werken en zorgen voor meer continuïteit. Financiële ondersteuning van deze netwerken is echter vaak tijdelijk en onzeker. De onderzoekers zien deze netwerken graag structureler verankerd in OCMW en gemeente.

Meer aandacht voor ervaringsdeskundigen in de armoede

Mensen in armoede moeten ook betrokken worden bij de dialoog rond beleidskeuzes van lokale besturen. Een goede vertrouwensband is nodig. Ze hebben hun eigen expertise en kunnen helpen om tot een meer gefundeerde armoedebestrijding te komen. Er is tot nu toe ook te weinig transparantie over welke output het gevolg is van de input van ervaringsdeskundigen op het terrein.

Het potentieel van zelforganisaties

Socio-culturele verenigingen opgericht voor en door mensen die een etnisch-culturele identiteit delen kunnen goed inspelen op de veranderende realiteit van de stad en haar inwoners. Deze organisaties zijn goede partners voor de reguliere hulpverlening. Hulpverleners moeten er wel op letten dat ze deze organisaties niet overbevragen of als vervanging zien voor het reguliere aanbod. De onderzoekers pleiten ervoor het potentieel te benutten, zonder het te misbruiken.

Meer toegankelijke hulpverlening in de vorm van het Geïntegreerd Breed Onthaal

Het Geïntegreerd Breed Onthaal wordt een samenwerkingsverband tussen het OCMW, CAW, de ziekenfondsen en andere lokale actoren. Dit moet de drempels verlagen waardoor mensen sneller en gerichter van hun rechten gebruik kunnen maken. Een verdere uitbouw hiervan wordt aanbevolen door de onderzoekers, maar ze raden aan mensen in armoede erbij te betrekken om de toegankelijkheid te garanderen.

Meer lezen? Het volledige jaarboek kan ingekeken worden op de website van OASeS.

Om commentaar te kunnen toevoegen moet u aangemeld zijn of indien u nog geen profiel hebt kan u zich hier registeren.