Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting

Focus op kinderarmoede

Elk jaar in december stelt OASeS, de onderzoeksgroep van het Departement Sociologie aan de Universiteit Antwerpen, haar Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting voor. De focus van het onderzoek lag dit jaar op kinderarmoede. We vatten hier de belangrijkste bevindingen van het onderzoek van dit jaar samen.

In de federale regering zijn debatten aan de gang om verplichte gemeenschapsdienst in te voeren voor langdurig werklozen. Uit onderzoek blijkt dat dit positieve functies kan hebben: mensen winnen zelfrespect en zelfvertrouwen, voelen zich gewaardeerd en versterkt. Maar op termijn blijkt het vaak geen opstap te zijn naar betaald werk. Vrijwilligerswerk is enkel zinvol wanneer het aansluit bij interesses van de cliënt. Ook de controle op het werk doet afbreuk aan het gevoel dat het werk in het belang van de cliënt is en doet de positieve effecten ervan teniet.

Leerprestaties van kinderen met een migratieachtergrond

Kinderen met een migratieachtergrond scoren minder goed in het onderwijs, ondanks cognitieve capaciteiten, goede sociaal-economische situatie en kennis van het Nederlands. Hogere cognitieve vaardigheden gaan bij alle etnische groepen samen met betere punten op school, maar toch is dit effect sterker bij autochtone dan bij allochtone leerlingen. Onderzoekers vinden het belangrijk te benadrukken dat dit dus niet blijkt samen te hangen met de sociaal-economische status of thuistaal. Wat dan wel de verklaring is, is nog niet helemaal duidelijk. Wel wordt scholen aangeraden om leerlingen met een migratieachtergrond te betrekken bij het opstellen van het curriculum en de lessen in de mate van het mogelijke aan te passen aan hun talenten.

Nood aan ondersteuning in omgaan met stress

Koppels met kinderen en een laag inkomen ervaren opvallend meer financiële en relationele stress dan ouders die meer verdienen. Daarnaast weten ze ook niet goed om te gaan met deze problemen. Waar mensen met een hoger inkomen vaak een oplossing zoeken of steun zoeken bij vrienden en familie, gebruiken ouders met een lager inkomen eerder vermijdende strategieën. Mensen in kansarmoede hebben meer dan één probleem, en doordat ze te veel moeten focussen op één probleem, kunnen ze vaak niet meer goed nadenken over andere problemen. Ze hebben dus nood aan voldoende toegankelijke hulp- en steunbronnen.

Europa 2020: doelstellingen niet binnen handbereik

Dit jaar zijn wel halfweg de EU2020-strategie. Wat betreft het vroegtijdig schoolverlaten, heeft België de doelstelling bijna behaald: 9,8% van de jongeren verliet het onderwijs vroegtijdig, het doel is 9,5%. Vlaanderen legde zichzelf een strengere norm op: 5,2%. Die werd nog niet gehaald (7%). Ook wat het aantal mensen die afstuderen in het hoger onderwijs betreft halen we de norm nog niet. Wat de werkzaamheidsgraad betreft scoort ons land ook nog 6% onder het streefdoel en tegelijk ook lager dan het Europese gemiddelde. In 2014 leefde één gezin op vijf in België met een risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat zijn 145.000 mensen méér dan in 2008. De doelstelling van 2020 is nog veraf, en bijkomende maatregelen dringen zich op. 14,6% van de Belgen leeft in een gezin met een heel lage werkintensiteit. Voor deze indicator behoort ons land tot de slechtste leerlingen van de Europese klas, samen met Griekenland (17,2%), Spanje (17,1%) en Kroatië (14,7%).

Kinderarmoede: cijfers

Bijna een op vijf kinderen en jongeren onder de achttien leven in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Dat is bijna 3% meer dan tien jaar geleden.

Kinderen voelen negatieve gevolgen van armoede

Kinderen in armoede voelen zich buitengesloten, maken zich zorgen en schamen zich. Armoede veroorzaakt spanningen en soms leiden al die zorgen zelfs tot fysieke klachten. Het blijft ook nog steeds een taboe: zowel met de ouders als op school praten kinderen liever niet over hun armoede.

Kinderarmoede ondermijnt gezondheid, huisvesting en vrije tijd

Tijdens de eerste levensjaren krijgen kinderen de basis voor fysieke, sociale, emotionele, taalkundige en cognitieve vaardigheden. Dit alles bepaalt voor later hoe hun (mentale) gezondheid, schoolse vaardigheden of economische participatie eraan toe zullen zijn. Zo verhogen een laag inkomen en een woonst in een achtergestelde buurt bijvoorbeeld de kans op astma. Interventieprogramma’s zijn best universeel beschikbaar. Wijkgezondheidscentra spelen hier een belangrijke rol.

Armoede ondermijnt ook spel en vrije tijd. Bijna 70% van de gezinnen in armoede kon in 2014 geen week met vakantie weg van huis. Kinderen uit arme gezinnen nemen ook opvallend minder vaak deel aan groepsgerichte vrijetijdswerking (jeugdhuis, tekenacademie…) en zijn veel minder vaak lid van een sportclub.

Steeds meer jongeren hebben het moeilijk

Het aantal leefloongerechtigden nam tussen 2013 en 2014 toe met 3,9%, maar bij jongeren onder de 25 was dat cijfer 5,1%. Jongeren zijn in economisch ongunstige tijden het eerste slachtoffer: ze worden eerder ontslagen of krijgen minder kansen op een nieuwe job. Er is een grote kloof tussen de werkloosheidsgraad van laaggeschoolde jongeren en hooggeschoolde jongeren: 27% tegenover 11,9%. Jongeren met een migratieachtergrond zijn ook vaker werkloos. Het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en het investeren in het verwerven van bijkomende vaardigheden moeten prioriteiten zijn.

Schoolmoeheid hangt samen met thuissituatie

Schoolmoeheid uit zich op verschillende manieren: er is de gedragsmatige (de regels niet willen volgen), emotionele (zich niet thuis voelen) en de cognitieve variant (zich niet inzetten om resultaten te halen). Wie thuis financiële problemen opmerkt, ontwikkelt daardoor vaker schoolmoeheid. De algemene schoolcultuur sluit eerder aan bij de middenklasse. In scholen waar de meerderheid van de leerlingen thuis economische moeilijkheden opmerkt, blijken andere leerlingen de gevoelens van schoolmoeheid snel over te nemen, onafhankelijk van hun eigen thuissituatie.

Netwerken zijn cruciaal

Kinderarmoede is multidimensioneel. Bestrijding ervan doorkruist verschillende bevoegdheden en beleidsdomeinen. Nochtans is er vaak gebrekkige coördinatie tussen verschillende beleidsterreinen en ook binnen steden en gemeenten gebeurt het dat verschillende actoren die met kinderen werken elkaars diensten niet goed kennen. Een betere integratie van initiatieven op alle beleidsniveaus dringt zich op.

Liesbeth Homans liet in het voorwoord weten dat ze actief gebruik zal maken van de resultaten en inzichten uit het Jaarboek om haar beleid te ondersteunen en te optimaliseren.