Samengestelde gezinnen werken ook

Gezinsenquête vindt weinig verschillen tussen kerngezinnen en samengestelde gezinnen

Eén op tien gezinnen in Vlaanderen is een samengesteld gezin. Hoe organiseren die samengestelde gezinnen zich? Hoe voelen ouders en kinderen zich in die nieuwe situatie? Het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ging met de Gezinsenquête op zoek naar antwoorden op die vragen. 

“Het gezin bestaat uit een huwelijk en het huwelijk is de basis van het gezin. Dit huwelijk wordt gesloten tussen twee personen die niet enkel van verschillend geslacht zijn, maar die ook tot verschillende families behoren. De kinderen die buiten gezinnen geboren worden, zijn illegitieme, onwettige kinderen.” Zo omschreef gezinssocioloog Wilfried Dumon het gezin in de jaren zeventig. Dat het ondertussen anders is, kan iedereen in zijn omgeving vaststellen. Eén op tien gezinnen in Vlaanderen is een samengesteld gezin. Samengestelde gezinnen zijn niet nieuw. Maar waar ze vroeger vaak ontstonden na een overlijden van een van beide partners, gebeurt het tegenwoordig vaker na een scheiding. Onderzoekers vroegen aan ouders in samengestelde gezinnen wat ze liever anders hadden gezien. “Hun antwoorden illustreren de typische problemen waarmee samengestelde gezinnen geassocieerd worden”, vertelt Veerle Audenaert van het Departement WVG. “Spanningen in de partnerrelatie, compromissen moeten sluiten, inmenging van ex-partners, afscheid moeten nemen van de kinderen met een week-om-weekregeling.”

We zouden dan kunnen verwachten dat samengestelde gezinnen minder goed scoren op allerlei gezinsthema’s dan intacte gezinnen. Maar is dat wel zo? “Ja en neen”, zegt Audenaert. “En vaker neen dan ja. Onderzoek naar samengestelde gezinnen spitste zich in het verleden vaak toe op negatieve resultaten voor de kinderen, en dat zorgde voor verdere stereotypering en stigmatisering bovenop de negatieve associatie die stiefoudergezinnen al meekregen in de sprookjes van Grimm. Uit recenter onderzoek blijkt echt dat er veel gelijkenissen zijn tussen samengestelde gezinnen en intacte gezinnen. En als er verschillen zijn, zijn die klein.”

Hoe zien samengestelde gezinnen eruit?

Verhoudingsgewijs hebben samengestelde gezinnen meer kinderen en is het jongste kind wat ouder. Er zijn veel verschillende samengestelde gezinnen: met een stiefmoeder, een stiefvader, of een stiefmoeder én een stiefvader. In sommige gezinnen zijn de kinderen voltijds aanwezig, in andere maar om de week. Voor samengestelde gezinnen geldt ook vaker dat waar je woont niet van belang is om te bepalen of je tot het gezin behoort of niet.

Partners in een samengesteld gezin zijn minder vaak getrouwd, en de duur van de relatie is meestal ook korter. Eén op vijf relaties is op het moment van de bevraging nog korter dan vier jaar. Ze zijn echter niet minder tevreden met hun relatie dan partners in intacte gezinnen en ervaren niet minder steun.

Ouders in samengestelde gezinnen vinden de opvoeding even verrijkend, en linken opvoeding even vaak aan vermoeidheid als ouders in intacte gezinnen. “Daarnaast ervaren stiefouders de opvoeding ook als even verrijkend, wat een mooi signaal is voor samengestelde gezinnen”, vindt Audenaert.

Tevredenheid over verdeling van taken

Ouders in samengestelde gezinnen zijn wel soms minder tevreden over het verloop van de opvoeding, ervaren wat meer stress in de opvoeding en zijn soms minder consistent. Vooral moeders maken zich vaker zorgen en hebben meer vragen over de opvoeding van de kinderen. Maar de onderzoekers zien geen aanwijzingen dat de opvoeding in samengestelde gezinnen problematischer zou zijn. “Als er verschillen zijn met intacte gezinnen, zijn ze klein”, benadrukt Audenaert.

De meeste zorgtaken worden in samengestelde gezinnen even goed verdeeld als in andere gezinnen. Ook de verdeling van betaalde arbeid is er niet anders. Drie op de vier ouders in samengestelde gezinnen vinden hun job goed tot heel goed te combineren met hun gezin en kunnen op evenveel begrip rekenen bij hun werkgever. In sommige gezinnen zijn er wel eens conflicten over de verdeling van de zorgtaken, maar alvast wat het huishoudelijke werk betreft lijken samengestelde gezinnen zelfs al meer op weg naar een eerlijke taakverdeling dan intacte gezinnen.

Meestal gaat er – voor minstens één van partners – een relatiebreuk vooraf aan een nieuw samengesteld gezin. Vaak raken ouders daarna eventjes in een minder gunstige financiële situatie. Toch slagen de meesten erin na een tijdje opnieuw aan slagkracht te winnen en hebben ze het financieel niet moeilijker dan intacte gezinnen. Ook op vlak van (psychisch) welbevinden, gezondheid en sfeer zijn er weinig verschillen vast te stellen. Ook in samengestelde gezinnen kunnen gezinsleden hun gevoelens uiten en op steun rekenen bij moeilijkheden.

“Samengestelde gezinnen standaard negatief afschilderen ten opzichte van intacte gezinnen zou dus onterecht zijn en doet afbreuk aan de inspanningen die zij doen om een bevredigend gezinsleven op te bouwen”, vindt Audenaert. “Over het algemeen slagen zij er prima in hun gezinsleven vorm te geven, al kunnen sommige samengestelde gezinnen misschien wel specifieke ondersteuning en voorlichting kunnen gebruiken over specifieke problemen. Het onderzoek biedt alvast kapstokken die inspiratie kunnen bieden voor het verbeteren van het bestaande aanbod.”

Bewust omgaan met ouderschap

Ann Buysse is decaan van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen aan de UGent, en merkte ook al dat samengestelde gezinnen het over het algemeen niet slechter doen dan kerngezinnen. “Als je gezinnen met adoptiekinderen, donorkinderen, stiefkinderen, pleegkinderen, eenoudergezinnen of samengestelde gezinnen vergelijkt levert dat meestal weinig verschillen op. Het soort gezin is geen goeie parameter. Het komt altijd neer op hoe mensen met elkaar omgaan. In sommige kerngezinnen blijven de ouders samen ‘voor de kinderen’, maar is er elke dag ruzie, terwijl er samengestelde gezinnen zijn die heel warm samenleven. En omgekeerd.”

Wat wél een verschil maakt volgens Buysse, is dat samengestelde gezinnen heel bewust omgaan met ouderschap. “Als je in een nieuwe situatie terechtkomt, is het logisch dat je aan tafel gaat zitten om te bespreken hoe je dat allemaal aanpakt. In kerngezinnen rollen ze als het ware in het ouderschap, en wordt er vaak niet zo veel bij nagedacht.” Er zijn volgens haar twee elementen die erg belangrijk zijn bij de vorming van een samengesteld gezin. “Ten eerste moet iedereen het gevoel hebben er iets toe te doen, het gevoel een verschil te maken in het leven van het ander. Zowel ouders als kinderen. Ten tweede moeten zowel kinderen als volwassenen betekenis kunnen geven aan het verhaal van het gezin. Als samengesteld gezin heb je geen gezamenlijke geschiedenis, maar wil je wel samen een toekomst bouwen.” Maar hoe schrijf je zo’n gezinsverhaal? “Dat gaat over kleine dingen. Zoals bijvoorbeeld het feit dat in de meeste gezinnen iedereen een vaste plaats aan tafel heeft. Niemand herinnert zich ‘de dag dat de stoelen werden toegewezen’ natuurlijk, dat gaat vanzelf. Het is pas als het liefje van de oudste dochter zich onwetend op de stoel van papa neerplant dat je erbij stilstaat dat dat deel uitmaakt van het gezinsverhaal. Net zoals elke week frietjes eten op vrijdag.”

Als je maar overeenkomt

“We merken dat stiefouders met hun stiefkinderen activiteiten doen die ze vroeger met de biologische kinderen ook deden, alsof ze ‘tijd moeten inhalen’. Soms matcht dat, maar het is niet altijd evident om samen nieuwe gewoontes te installeren”, vertelt Buysse. “We gaan er altijd van uit dat mensen moeten overeenkomen. Maar we zien ook wel eens adolescenten die zeggen: mijn stiefmama staat helemaal anders in het leven dan ik, maar mijn papa is gelukkig met haar, dus voor mij is het oké. We leven in hetzelfde huis, we zeggen wel goeiedag, maar verder hebben we samen besloten geen deel te zijn van mekaars verhaal. Als je daarover akkoord bent, is er geen probleem.”

Het kerngezin als norm

Buysse zet ook vraagtekens bij ons beeld van het klassieke kerngezin. “Dat zit nog altijd als norm in ons hoofd gestampt, met als bijhorende gedachte dat alles daar ‘peis en vree’ moet zijn. Maar mensen leven steeds langer. Als je op je twintigste een relatie aangaat, dan zou je misschien wel zestig jaar bij diezelfde persoon kunnen blijven. Maar als je na pakweg twintig jaar niet meer gelukkig bent met elkaar, ga je dan nog veertig jaar een koppel blijven, gewoon omdat het de norm is?”

Geen goed idee, volgens Buysse. “Ouders voelen zich slecht als het kerngezin uit elkaar valt, vooral tegenover de kinderen. Maar er is niets zo slecht voor kinderen als een gezin waar constant ruzie gemaakt wordt. Scheiden is stoppen met iets dat niet werkt. En mensen doen dat niet lichtzinnig. De belangrijkste emotie van kinderen na een scheiding is opluchting. Daarnaast ook spijt: spijt dat ik niet altijd mijn hondje bij me heb, spijt dat we niet meer samen op reis gaan, spijt dat ik niet meer naast mijn beste vriend woon. Maar de opluchting overheerst meestal.”

Als we allemaal blijven streven naar dat kerngezin, en al de rest maar een ‘tweede keuze’ vinden, dan gaan mensen zich ook zo voelen, denkt Buysse. “Invloed stopt niet aan de grens van een gezin. Als we als samenleving een samengesteld gezin als een mislukking beschouwen, voelen die mensen zich ook zo. Soms doen ze dan extra hun best om te tonen dat ze het echt goed doen. Sommigen kunnen wel extra steun gebruiken. Ik zie echt het belang van goede scheidingstrajecten, met bemiddelaars die als neutrale derde alles kanaliseren. De overgrote meerderheid kan het wel zonder hulp, als we er met zijn allen maar niet te veel met een scheve blik naar kijken, net zoals dat geldt voor kerngezinnen. Dus nogmaals: het is niet het type gezin dat van belang is, alles staat en valt hoe mensen met elkaar omgaan.”

www.gezinsenquête.be

‘Hét samengestelde gezin bestaat niet’

Kaat Schaubroeck is stiefmama, journaliste en auteur van diverse boeken over scheiding en ouderschap.
Zij ziet dat stiefouders nog weleens worstelen met hun rol. In onderzoek geven ze aan dat ze zich vaak niet gezien voelen door de samenleving, terwijl ze wél veel taken in het gezin opnemen, én een innige band hebben met hun stiefkinderen. Wat we ook nog vaak vergeten, is dat het in een nieuw stiefgezin niet zelden tot een nieuwe breuk komt: dan is de rol van de stiefouder helemaal onduidelijk. Blijft die in het leven van de kinderen, als ‘ex-stiefouder’, of niet?


Zij heeft het gevoel dat stiefouders vaak niet gezien worden door de samenleving, terwijl tussen de regels toch verwacht wordt dat ze mee de ouderrol opnemen. Dat ze soms het gevoel hebben dat niemand ziet wat ze allemaal doen, wekt frustratie, die meestal niet geuit wordt. Uit onderzoek blijkt nochtans dat ex-partners vaak erg weinig over de kinderen overleggen, en dat stiefouders dat net vaak wél doen. Zeven op de tien kinderen zeggen ook een sterke band te hebben met hun stiefouder. Al is het belangrijk dat die band rustig opgebouwd wordt. Kinderen hebben op dat moment nood aan kalmte na een turbulente periode die aan de vorming van het nieuwe gezin voorafgaat. Kinderen vinden de stiefouder soms ook een indringer, die tijd en ruimte afsnoept, en misschien zelfs nog ‘vervelende’ andere kinderen meebrengt. Ze vinden de stiefouder niet altijd meteen een ‘plus’-ouder. Kaat raadt dus ook aan niet van de kinderen te eisen dat ze je plusmama of pluspapa noemen. Liefde wordt in stapjes opgebouwd. “Het kerngezin wordt nog altijd als ideaal beschouwd. Dus probeer je je samengesteld gezin ook in die mal te proppen. Maar dat werkt meestal niet. Omdat je zorgt voor kinderen die niet de jouwe zijn. Omdat je zelf misschien kinderloos blijft, omdat je partner al kinderen heeft. Hét samengestelde gezin bestaat niet. Dat maakt dat je bij de start van de relatie een grondig gesprek hebt over wat je wilt, wat je meebrengt in de relatie, en hoe jullie alles op elkaar afstemmen.” In de media komen ook voornamelijk gezinnen aan het woord bij wie alles goed loopt, en die met hun foto in de krant willen. Kaat maakt zich zorgen dat de groep bij wie het moeilijker verloopt, daardoor meer verborgen blijft. En dat geldt ook voor onderzoek: wie een vragenlijst uitstuurt, riskeert dat voornamelijk de sterkere gezinnen die zullen invullen.
Uit het onderzoek Sparkles van de Arteveldehogeschool blijkt dat één op drie gezinnen na een scheiding blijft worstelen met opvoeding, juridische aspecten, en met hoe relaties in dat nieuwe gezin vorm moeten krijgen. Toch zochten ze geen professionele hulp. Mensen gaven aan het aanbod te ingewikkeld te vinden. Ze wisten niet waar te starten met zoeken, en bijna overal zijn er (lange) wachtlijsten. Het aanbod is ook erg versnipperd. Voor juridisch advies, steun bij opvoeding, en therapie moet je je op drie verschillende plekken aanbieden. “Zou een scheidingshuis geen goed idee zijn, naar analogie van de opvoedingswinkels?”, vraagt Kaat zich af.
“Men zegt wel eens it takes a village to raise a child. Maar we moeten niet alleen samen voor de kinderen zorgen, maar ook rond de ouders staan. Er is soms zoveel kritiek op (stief)ouders en op hoe ze opvoeden, dat ze zich schamen en niet om hulp durven vragen als dat nodig is. Laat ons wat minder terechtwijzen, en wat meer klaarstaan voor elkaar.”

Foto's
Bob Van Mol / Sigrid Spinnox