Nu ook publieke rapportering van zorgkwaliteit door geestelijke gezondheidszorg
De sector Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) werkt al jaren aan kwaliteitsverbetering. In 2013 startten de eerste initiatieven om kwaliteitsindicatoren te ontwikkelen. Vandaag zetten heel wat GGZ-voorzieningen een volgende stap: op Zorgkwaliteit.be maken ze de eerste resultaten bekend van deze kwaliteitsmetingen. Het zijn resultaten over patiëntervaringen en -veiligheid.
De GGZ is daarmee, na de algemene ziekenhuizen, de tweede zorgsector in Vlaanderen die kiest voor publieke rapportering. Meten en opvolgen van kwaliteit creëert bewustwording en inzicht tot verbetering en vormt zo mee de basis van doelgericht kwaliteitsbeleid. Sinds 2019 zijn deze kwaliteitsinitiatieven ingekanteld in het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ), een onafhankelijke VZW, met de steun van de Vlaamse overheid.
Verschillende types van GGZ-voorzieningen rapporteren nu op Zorgkwaliteit.be: de psychiatrische ziekenhuizen (PZ), psychiatrische afdelingen in algemene ziekenhuizen (PAAZ), psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT), beschut wonen (BW), centra geestelijke gezondheidszorg (CGG), psychosociale revalidatie (REVA), en verslavingsrevalidatie (VERS).
Vrijwillige deelname
Deelname aan deze kwaliteitsinitiatieven is vrijwillig. De participatiegraad is hoger in de klassieke voorzieningen binnen GGZ die al een tijdje met de indicatoren aan de slag zijn, zoals de PZ, de PAAZ, de PVT, BW en de CGG. De voorzieningen die pas sinds kort toetraden, zijn nog volop in ontwikkeling. Het betreft hier de psychosociale revalidatie (REVA), de verslavingszorgcentra (VERS) en de centra voor ambulante revalidatie (CAR). Voor enkele kleine voorzieningen in Vlaanderen is er nog geen concreet indicatorentraject opgestart.
Frieda Matthys, co-voorzitter VIP GGZ: “Dit is een belangrijke stap voor de GGZ. Sinds 2013 ontwikkelen we binnen de GGZ indicatoren waardoor kwaliteit van zorg meetbaar wordt. Zo krijgen we de nodige input om probleemgebieden te identificeren en verbeterinitiatieven op te starten. Hierover transparant communiceren is een volgende stap en sterke boodschap vanuit de deelnemende voorzieningen. Deze voorzieningen nemen zo een voortrekkersrol op voor de GGZ in Vlaanderen. Via het VIKZ willen we hier de komende jaren verder op inzetten.”
Ilse Weeghmans, directeur van het Vlaams Patiëntenplatform (VPP): “Het VPP is al lang tijd vragende partij naar transparantie over kwaliteit van zorg. We zijn dan ook blij dat na vijf jaar meten, nu ook de geestelijke gezondheidszorg deze stap naar publieke rapportering maakt.”
Gert Peeters, co-voorzitter VIP GGZ: “De sector van de GGZ is heel divers, zowel qua types voorzieningen als doelgroepen. Zo was het bij de start in 2013 niet evident om indicatoren te kiezen die een zinvolle benchmark toelieten. Sinds enkele jaren kiezen we voor die indicatoren en thema’s die het meest relevant zijn per type voorziening. Zo krijgen we naast enkele sectorbrede metingen, ook een set van specifieke indicatoren per voorzieningstype die onderling vergeleken zullen kunnen worden. Die herkenbaarheid moet voor een betere participatie aan de metingen zorgen. Tevens ijveren we voor een flankerend beleid vanuit de overheid, onder meer via het nieuwe kwaliteitsdecreet, waarbij indicatoren een belangrijke plaats moeten krijgen in het toekomstige Vlaamse kwaliteitsbeleid.” Initiatieven die momenteel in ontwikkeling zijn en die beter aansluiten bij de specificiteit van de sector zijn onder meer: behandelplannen, geneesmiddelenbeleid, zorgcontinuïteit, vrijheidsbeperking, en door de patiënt gerapporteerde outcomes (PROMs).
Vergelijken en opvolgen doorheen de tijd
Via Zorgkwaliteit.be wil het VIKZ op termijn elke burger en zorgvoorziening een platform bieden om de gemeten resultaten op het vlak van zorgkwaliteit per voorziening te raadplegen, te vergelijken en op te volgen doorheen de tijd.
Svin Deneckere, directeur VIKZ: “Vandaag publiceren we online de eerste resultaten voor GGZ. Deze resultaten geven al een indicatie van een specifiek aspect van kwaliteit van zorg en je kan voorzieningen hierop vergelijken. Maar je kan er nog geen al te sterke conclusies uit trekken en nog geen evoluties in kaart brengen. Waar we naartoe willen, is een meer gebruiksvriendelijke website, een hogere deelname over de verschillende zorgsectoren heen en een kernset van valide én relevante indicatoren per sector. Dat moet een patiënt helpen om geïnformeerde keuzes te maken.”
De resultaten vormen geen oordeel over de gehele kwaliteitswerking en dienen met de nodige omzichtigheid gebruikt te worden. Een rangschikking maken van voorzieningen die het goed of slecht doen is op basis van deze cijfers niet mogelijk en ook niet de doelstelling. Hieronder worden enkele opvallende vaststellingen weergegeven, waaruit verbeterpunten kunnen worden geïdentificeerd. We rapporteren hier geen resultaten per type voorziening, omdat de participatiegraad per type soms te laag is om echt zinvolle uitspraken te kunnen doen.
De sector Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) werkt al jaren aan kwaliteitsverbetering. In 2013 startten de eerste initiatieven om kwaliteitsindicatoren te ontwikkelen. Vandaag zetten heel wat GGZ-voorzieningen een volgende stap: op Zorgkwaliteit.be maken ze de eerste resultaten bekend van deze kwaliteitsmetingen. Het zijn resultaten over patiëntervaringen en -veiligheid.
Vaststellingen omtrent patiëntenervaringen
• Gemiddeld werd de vragenlijst ingevuld door ongeveer 4.000 patiënten. Over de verschillende types voorzieningen heen neemt ongeveer 40% van alle voorzieningen deel per jaar. Momenteel is er deelname uit de Psychiatrische Ziekenhuizen (PZ), de psychiatrische afdelingen in algemene ziekenhuizen (PAAZ), Psychiatrische Verzorgingstehuizen (PVT), Initiatieven Beschut Wonen (BW), Centra Geestelijke Gezondheidszorg CGG, psychosociale revalidatie (REVA) en de verslavingszorgcentra (VERS).
• 3 op 4 van de deelnemende patiënten gaven in 2019 een 8 of meer op 10 als algemene beoordeling. Meer dan de helft van de patiënten zou de voorziening “zeker wel” aanbevelen aan vrienden en familie. Ongeveer de helft van de patiënten voelde zich “altijd” geholpen door de behandeling.
• Hogere scores werden in 2019 gegeven aan:
- Of er afspraken worden gemaakt over waar de patiënt terecht kan bij problemen na de behandeling: gemiddeld 87% van de patiënten gaf hier “ja” aan.
- Of patiënten mee kunnen beslissen over het einde van de behandeling, 85% gaf “ja” aan. Anderzijds gaf slechts 40% van de patiënten aan dat ze “altijd” kunnen meebeslissen over de inhoud van de behandeling.
- Therapeutische relatie: de mate van respect voor privacy (71% gaf topscore “altijd”) en respect door hulpverleners voor de patiënt (69% gaf topscore “altijd”).
• Lagere scores werden in 2019 gegeven aan informatie over de behandeling: informatie over de kosten van de behandeling (30% gaf topscore “altijd”), het geven van gelijkaardige informatie tussen hulpverleners (32% gaf topscore “altijd”), informatie over medicatie en bijwerkingen (33% gaf topscore “altijd”) en informatie over de psychische problemen zelf (34% gaf topscore “altijd”).
• Veiligheid: gemiddeld gaf 60% aan zich “altijd” veilig te voelen.
• Patiëntenrechten: gemiddeld gaf slechts 30% van de patiënten de topscore “altijd” op informatie over het recht op vragen van een ‘tweede mening’.
Gert Peeters: ‘Belangrijk hierbij te weten is dat het resultaat dat getoond wordt op de website het gecorrigeerd percentage betreft van patiënten dat de topscore heeft gegeven. Als je alle positieve antwoorden zou meenemen in de berekening, dan zouden deze resultaten veel hoger liggen. Ook zien we dat soms een groot deel van de sector de minimum streefwaarde niet behaalt. De lat wordt dan ook hoog gelegd. Het moet vooral een doel en ambitie aantonen waar we als sector naar toe willen groeien in de komende jaren, en dit via het opzetten van gerichte verbeteracties.’
Vaststellingen omtrent patiëntveiligheid
• Aan de indicator ‘volledigheid van geneesmiddelenvoorschrift’ namen de psychiatrische ziekenhuizen, de PAAZ en de PVT deel. Gemiddeld kon 97,4 % van de voorschriften in 2019 als volledig worden beschouwd.
• Aan de indicator ‘handhygiëne’ namen in 2019, het tweede jaar van deze meting, 7 van de 32 psychiatrische ziekenhuizen deel. Gemiddeld toonde minder dan 60% van de zorgverleners en medewerkers zich in orde met de basisrichtlijnen handhygiëne in 2019. Svin Deneckere: “De spreiding tussen de deelnemende voorzieningen was groot. COVID-19 heeft het bewustzijn omtrent een goede handhygiëne, ook in de GGZ, ongetwijfeld verhoogd. We hopen dan ook op een hogere deelname aan de nieuwe metingen. Mogelijks kunnen we ook betere resultaten verwachten.”
• De indicator ‘suïcidepreventiebeleid’ werd gemeten in de PAAZ, PZ, PVT, BW, CGG en REVA. De participatie was in 2019 het hoogst in de PZ (24 van de 32, 75%), in de PAAZ (20 van de 38 PAAZ’en, 53%) en in de REVA (6 van de 15 REVA, 40%). In de andere sectoren was deze vooralsnog laag. Deze indicator brengt in beeld in hoeverre de deelnemende voorzieningen beschikken over een uitgeschreven suïcidepreventiebeleid. 90% van de te verwachten richtlijnen omtrent suïcidepreventie waren ook effectief terug te vinden in het beleid en procedures. Ten opzichte van 2017 was er in 2019 een verbetering van 10% merkbaar.