Na de schok: rampenmanagement

Vier lessen volgens urgentiearts Pieter Jan Van Asbroeck

Vier Covid-golven als urgentiearts. In actie met andere vrijwilligers van het Rode Kruis bij de overstromingen in Limburg. ’s Nachts op wacht met MUG-collega’s tijdens de zoektocht naar de verdwenen militair Jürgen Conings. Het waren intense maanden voor Pieter Jan Van Asbroeck, verbonden aan ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) in Genk. Als specialist en ervaringsdeskundige rampenmanagement geeft hij vier lessen mee.

Bouw flexibiliteit in

“De Covid-crisis heeft ons allemaal gepakt in snelheid en felheid, dat is geen nieuws. We waren volop een aparte spoeddienst aan het opbouwen toen de eerste coronapatiënten al toekwamen. Dat moment kan ik me nog heel goed herinneren. Het was even slikken.” “Daarna hebben we met z’n allen snel geschakeld. Bij een crisis zie je de sterke figuren van binnen en buiten je organisatie naar voren treden. Als het nodig is, kan er op korte tijd heel veel gerealiseerd en veranderd worden.”

“Op spoed houden we bij wijze van spreken elke dag een rampenoefening waarbij we triëren, stabiliseren en reguleren (bij een ramp gaat bepalen wie naar welk ziekenhuis zal worden gebracht, n.v.d.r.). Die ervaring bouwen we iedere dag op. Je weet dat er straks weer iets gaat gebeuren, alleen weet je niet wat precies en hoe groot het zal zijn. Je kunt niet elk scenario op voorhand volledig uitschrijven, wel ervoor zorgen dat je er klaar voor bent en snel kan schakelen. Bij de plannen van een nieuwe spoeddienst die we nu in het ziekenhuis voorbereiden, houden we bijvoorbeeld rekening met een flexibele indeling, zodat we snel ruimtes anders kunnen indelen.”

Een wachtdienst voor de directeur medische hulpverlening

“Zowel bij de overstromingen, de Covid-crisis als de zaak Jürgen Conings stond ik – samen met collega’s – op de eerste rij. Klaar om mee te helpen, als een klein radertje in een groter geheel. Alles kan altijd beter, maar als ik echt één verbeterpunt moet kiezen dan is het een betere regeling voor de wachtdienst voor de directeur medische hulpverlening, de zogenaamde Dir-Med. Dat is de urgentiearts die de operationele leiding heeft over de medische, sanitaire en psychosociale hulpverlening bij een ramp of gebeurtenis met mogelijks grote impact. De Dir-Med heeft ook een bijkomende opleiding in rampenmanagement gevolgd en moet de nodige ervaring hebben. Nu wordt die wachtdienst te veel gespreid over verschillende mensen. Beter zou zijn om met een beperkte gespecialiseerde kern van urgentieartsen en -verpleegkundigen te werken die er ook billijk voor vergoed worden. Op die manier kan je efficiënter werken en blijft deze gespecialiseerde kennis op peil. In sommige andere provincies is dat al zo georganiseerd en het is beter dat voor het hele land zo uit te werken.

Praat erover met collega’s

“De derde en vooral de vierde golf heeft er diep ingehakt bij sommige personeelsleden. Het was gewoon te veel, zeker in combinatie met de reguliere zorg die opnieuw was opgestart. Urgentieartsen en -verpleegkundigen hebben de naam macho’s te zijn, en sommigen denken dat het ons allemaal weinig doet. Klopt niet. Als je niet geraakt wordt door een overlijden van een baby van twee maanden bij een verkeersongeval, dan heb je een probleem. Hartverscheurend vind ik het zelf ook als een man van 90 zijn vrouw moet afgeven na een leven lang lief en leed te hebben gedeeld met elkaar. Sommige collega’s vinden dat ik een softie ben (lacht).”

“In ziekenhuizen kunnen we terecht bij psychologen en vertrouwenspersonen voor ondersteuning. Dat bestond al voor de Covid-crisis, maar nu er is veel meer aandacht voor en wordt er ook meer gebruik van gemaakt. Het belangrijkste is dat je er onder collega’s over kan babbelen, dat je toont wat je voelt en raakt. Er is niets mis mee om dat toe te geven. Ventileren is ook in de strijd tegen Covid een belangrijk aspect.”

Stel niet uit tot later

“Het kan snel gedaan zijn, de kwetsbaarheid van het leven zie ik hier elke dag. Een verkeersongeval, een slepende ziekte, een hartfalen op je dertigste. Stel niet uit wat je echt graag wil doen, want misschien is er geen later. Zo probeer ik zelf ook te leven. Ja, ik heb een heel drukke agenda. Ik zit in veel verenigingen, studeer nog aan de Vlerick Business School, heb me een paar maanden geleden ook kandidaat gesteld als astronaut voor de ESA, ook al is de kans heel klein dat ik dat haal. Ik word oprecht gelukkig door met veel dingen bezig te zijn. En ja, ik kan mijn kinderen nog aan school afzetten, want ik woon en werk vlakbij. Als ik eens een paar dagen thuis zit zonder iets om handen, dan word ik pas onrustig. Je moet het evenwicht zoeken, en dat ligt voor iedereen anders.”

 

Foto's
Bob Van Mol