welzijn & zorg

Hormoonverstoorders vormen een sluipend risico

Ook zorgprofessionals kunnen bijdragen aan bewustwording en preventie

Ze zitten in plastics, cosmetica, voeding, textiel en zelfs in de lucht die we inademen. Hormoonverstorende stoffen zijn alomtegenwoordig in ons leven. Maar wat zijn ze precies? En hoe groot is het gevaar? Milieutoxicologe Greet Schoeters en kankerpreventie-expert Jolien Vercruysse roepen zorgprofessionals op om mee het verschil te maken.

Onzichtbare indringers

“Hormonen regelen zowat alles in ons lichaam: van onze eetlust tot onze seksuele ontwikkeling”, zegt Greet Schoeters, milieutoxicologe en professor emerita aan de Universiteit Antwerpen. “Hormoonverstoorders zijn chemische stoffen die de werking van die hormonen verstoren. Ze kunnen zich gedragen als een natuurlijk hormoon, de werking ervan blokkeren of die werking nabootsen. Daardoor raken onze fysiologische systemen uit balans.”

De stoffen komen ons lichaam binnen via contact met alledaagse producten zoals plastic verpakkingen, verzorgingsproducten of voeding. “Ze zijn zo wijdverspreid dat het vandaag vrijwel onmogelijk is om er niet aan blootgesteld te worden”, zegt Schoeters. “Onderzoek toont aan dat vrijwel elke Vlaming – van pasgeborenen tot ouderen – sporen van hormoonverstoorders in zijn lichaam draagt.”

Langetermijngevolgen 

De impact van hormoonverstoorders is het grootst tijdens gevoelige ontwikkelingsfases, zoals de zwangerschap of vroege kindertijd. “De organen van de foetus worden gestuurd door hormonale processen. Als die verstoord worden, kunnen de gevolgen levenslang zijn”, aldus Schoeters.

Maar ook bij volwassenen kunnen hormoonverstoorders een rol spelen bij chronische aandoeningen. Er zijn sterke aanwijzingen voor een link met diabetes en verminderde vruchtbaarheid, en met hormoongevoelige kankers zoals borst-, prostaat- en teelbalkanker.

Vercruysse benadrukt het zogeheten cocktaileffect: “We worden blootgesteld aan een mengsel van stoffen die elkaars werking kunnen versterken. Dat maakt de gezondheidsimpact moeilijker te voorspellen. Net daarom moeten we extra voorzichtig zijn. De wetenschappelijke evidentie groeit, maar we pleiten nu al voor het voorzorgsprincipe.”

Beleid en stuurgroep

De urgentie is intussen ook doorgedrongen tot het beleid. In 2022 werd het Nationaal Actieplan voor Hormoonverstoorders (NAPED) gelanceerd, met drie centrale pijlers: preventie, wetenschappelijk onderzoek en regelgeving.  Jolien Vercruysse maakt deel uit van het stakeholderscomité dat als adviserend orgaan optreedt bij de uitwerking en uitvoering van het actieplan. 

“Via het stakeholderscomité willen we er mee voor zorgen dat het beleid doortastend is en ook echt wordt uitgevoerd”, zegt Vercruysse. “Het actieplan is een belangrijke stap vooruit, maar het werk is zeker nog niet af. Er is nog veel ruimte voor verbetering, vooral als het gaat om de bescherming van kwetsbare groepen, zoals zwangere vrouwen, kinderen en mensen met een hormoongevoelige aandoening.” 

Wat kunnen zorgprofessionals doen?

Zowel Vercruysse als Schoeters zijn het erover eens: ook zorgprofessionals kunnen bijdragen aan bewustwording en preventie. “Ze zijn vaak een vertrouwenspersoon voor patiënten”, zegt Vercruysse. “Een eenvoudige tip – zoals voeding niet opwarmen in plastic – kan al een verschil maken.” Schoeters voegt toe: "In ziekenhuizen is het cruciaal om bewust om te gaan met de materialen die we gebruiken — van plastic tot verpakkingen en wegwerpmateriaal. Als die hormoonverstorende stoffen bevatten, kunnen ze via een infuus zelfs rechtstreeks in de bloedbaan van een patiënt terechtkomen.”

Daarom pleiten beiden voor meer aandacht in opleidingen van artsen en verpleegkundigen. “Het thema komt vandaag nog te weinig aan bod in hun opleiding”, zegt Schoeters. “Nochtans blijkt uit ziektelaststudies dat hormoonverstoorders, na fijnstof, de tweede belangrijkste milieufactor zijn in Vlaanderen. Het zijn sluipende risico’s die zich pas op termijn manifesteren, maar daarom niet minder schadelijk zijn.”

Naast bewust materiaalgebruik kunnen zorgverleners ook patiënten informeren, zeker tijdens prenatale consultaties of huisbezoeken. “Zwangere vrouwen staan vaak extra open voor informatie. Met eenvoudige tips of een checklist kunnen zorgprofessionals jonge gezinnen helpen om bewuste keuzes te maken”, zegt Schoeters.

Een nieuw kennisplatform

Om zowel burgers als professionals beter te informeren, ontwikkelde het Departement Zorg een laagdrempelig kennisplatform over hormoonverstoorders. Vercruysse is enthousiast: “Het platform biedt gerichte informatie per doelgroep – van jongeren tot zorgverleners – en geeft heldere tips om blootstelling te beperken. Dat is belangrijk, want veel mensen weten niet waar die stoffen in zitten of hoe ze ermee in contact komen.”

Het platform toont ook welke stappen de overheid al onderneemt en helpt zo om het vertrouwen te versterken. “Het biedt een tegengewicht voor de verwarring die sociale media vaak veroorzaken. Mensen willen correcte informatie, en die vinden ze hier”, besluit Vercruysse.

Samenwerken aan preventie

Zowel Schoeters als Vercruysse benadrukken dat preventie een gedeelde verantwoordelijkheid is. Overheden moeten werk maken van striktere regelgeving, maar ook burgers en professionals kunnen hun steentje bijdragen. Want één ding is duidelijk: hoe meer we weten over hormoonverstoorders, hoe beter we ons kunnen wapenen tegen hun sluipende invloed.