welzijn & zorg

De stille hiërarchie van vrijwilligerswerk

De interne logica van ongelijkheid in vrijwilligersorganisaties
18.03.2026
Foto's
Bob Van Mol

Er is veel onzichtbare ongelijkheid in vrijwilligerswerk. Dat legt Lesley Hustinx (UGent) bloot in een nieuw onderzoek. Waarom komen sommige sociale profielen steevast in routinetaken terecht, terwijl anderen bijna vanzelf leidinggevende rollen opnemen? En welke rol spelen organisaties hier zelf in? Een gesprek over poortwachters, verborgen hiërarchieën en de nood aan echt inclusieve vrijwilligerspraktijken.

Vanwaar de focus op ongelijkheid in vrijwilligerswerk?

Professor Lesley Hustinx (vakgroep Sociologie UGent): “Vrijwilligerswerk heeft in onze samenleving een bijna mythische status. Iedereen ziet het als een meerwaarde en het wordt gezien als een oplossing voor verschillende maatschappelijke uitdagingen. Toch is vrijwilligerswerk niet per se voor iedereen positief. We willen meer (kwetsbare) mensen toeleiden naar vrijwilligerswerk, maar om wat precies te doen? Niet iedereen krijgt dezelfde kansen om zinvolle en uitdagende vrijwilligersactiviteiten te doen. Over deze ongelijke verdeling van functies en taken in vrijwilligersorganisaties bestaat er echter nog maar weinig wetenschappelijk onderzoek.”

Het debat gaat vandaag vooral over gelijke deelname aan vrijwilligerswerk. Waarom is dat te beperkt?

“Tot nu toe ging het vooral over de toegang tot vrijwilligersorganisaties. Wordt iemand vrijwilliger, dan is de missie geslaagd. Maar wat daarna? Welke taken mag iemand opnemen? Wie mag leidinggeven? Zijn er doorgroeimogelijkheden? Mijn eerdere onderzoek toont dat ongelijkheid zich precies daar manifesteert. Mannen en vrouwen zijn bijvoorbeeld even vaak vrijwilliger in België, wat we op het eerste zicht kunnen toejuichen. Maar het zijn de mannelijke vrijwilligers – en dan vooral hooggeschoolden – die domineren in de leidinggevende en gespecialiseerde functies. Kortgeschoolde vrouwen komen dan weer veel vaker in routinematige en generieke taken terecht. Inclusie stopt dus niet aan de deur van de vrijwilligersorganisatie.”

Je pleit dus voor meer onderzoek naar de rol van organisaties in het reproduceren van sociale ongelijkheid in vrijwilligerswerk?

“Klopt. We zoeken de oorzaken en oplossingen voor ongelijke participatie in vrijwilligerswerk nog te vaak bij de vrijwilligers zelf, terwijl de rol van de organisaties bijna volledig uit beeld blijft. We hebben nauwelijks zicht op hoe organisaties vrijwilligers selecteren en toewijzen aan bepaalde rollen en taken. Uit een handvol studies blijkt wel dat organisaties zelden formele selectieprocedures voor vrijwilligers gebruiken. Ze beoordelen kandidaat-vrijwilligers liever niet volgens de maatstaven van betaalde arbeid. Maar net doordat er geen transparante criteria zijn, speelt het buikgevoel van de vrijwilligerscoördinator een grote rol. Onbewuste voorkeuren en vooroordelen sluipen makkelijk binnen. Ze zijn als poortwachters die ongelijkheid onbedoeld mee vormgeven. Mensen geven de voorkeur aan vrijwilligers die een vergelijkbare sociale achtergrond en status hebben als zijzelf. De sociale klasse van professionals in non-profitorganisaties speelt dus een rol.”

Bestaat er in organisaties dan weinig aandacht voor diversiteit of inclusie?

“Dat is toch wat het bestaande onderzoek suggereert. Veel organisaties hebben geen expliciet beleid rond een eerlijke taakverdeling of functierotatie. Daardoor blijven bepaalde groepen in meer uitvoerende, minder gewaardeerde taken steken. Terwijl de literatuur duidelijk maakt dat diversiteit in vrijwilligersgroepen zowel een morele als een organisatorische meerwaarde heeft”

Moeten we dan op eenzelfde manier naar vrijwilligerswerk kijken als naar betaald werk?

“Ja. Het gaat in beide gevallen om activiteiten in een hiërarchie met verschillende niveaus van expertise en verantwoordelijkheid. Net als de arbeidsmarkt heeft ook de ‘vrijwilligersmarkt’ een specifieke structuur. Uit onze analyses blijkt dat topfuncties even schaars zijn in betaalde en onbetaalde arbeid, maar dat de vrijwilligersmarkt meer middenprofielen en minder laaggeschoolde posities heeft. Het vrijwilligerswerk is dus sterk geprofessionaliseerd. Wie een hoge positie heeft op de arbeidsmarkt, belandt ook hoger op de ‘vrijwilligersladder’. Dat versterkt bestaande ongelijkheden en beperkt het groeipotentieel in vrijwilligerswerk.”

Is het niet logisch dat je de meest geschikte persoon koppelt aan de juiste taak?

“Vanuit een instrumentele HR‑logica klopt dat. Maar vrijwilligerswerk is niet een louter productieve activiteit. Als bepaalde groepen systematisch minder toegang krijgen tot uitdagende taken, ontzeg je hen niet alleen vaardigheden en netwerken, maar ook kansen op persoonlijke groei en een maatschappelijke stem. Op die manier krijgt niet iedereen dezelfde kans om betekenisvol bij te dragen.”

Wat wil je met dit onderzoek bereiken?

“Dat we deze blinde vlek in kaart brengen. Als we echt streven naar inclusieve vrijwilligersorganisaties, moeten we óók hun interne werking en structuren onder de loep nemen. Alleen zo kunnen we de waarde van vrijwilligerswerk voor iedereen versterken.”