De kunst van het geëngageerd wachten
Alles moet sneller, efficiënter, onmiddellijk. Wachten is in onze tijd een tekort, een fout in het systeem. Psychiater Dirk De Wachter pleit voor een radicaal ander perspectief. Wachten is voor hem geen passieve berusting, maar een actieve, betrokken houding tegenover de wereld.
In zijn nieuwe boek schrijft Dirk De Wachter openhartig over zijn ziekte, het einde van zijn loopbaan en zijn verbondenheid met de doden. Wachten is een intiem boek van iemand die ‘in de kwetsbare mens, de mens die uitvalt, een signaal ziet voor ons allen.’ De Wachter gebruikt zijn boeken en zijn bekendheid om zijn beroep een menselijk gelaat te geven. Hij is psychiater en psychotherapeut in het UPC KU Leuven. Daarnaast is hij expert in
systeem- en gezinstherapie en verantwoordelijk voor het dagactiviteitencentrum het Herstelhuis op de campus Kortenberg. Aan de KU Leuven is hij verbonden als opleider en supervisor in de gezinstherapie.
Wachten is een vorm van overgave. Hoe zorg je ervoor dat het geen berusting wordt?
Dirk De Wachter: ‘Toen ik onlangs in De Afspraak te gast was, liet men een fake filmpje zien waarin ik benoemd werd tot CEO van de NMBS. Omdat ik Dirk De Wachter heet. Ik vond dat wel grappig. Het woord wachten heeft vaak een negatieve betekenis. Dat irriteert ons. We wachten met verwachting. Mijn kritiek is dat we alles direct moeten hebben. En dat ons allerlei verwachtingen worden aangepraat, door de consumptiemaatschappij of door sociale media. Dat oververhit ons en drijft sommigen tot een burn-out.”
We moeten, zo schrijft u, de verwachting loslaten.
“Dan komen we tot het ware wachten. Ik heb dat niet zelf uitgevonden. De Duitse filosoof Martin Heidegger heeft over ‘warten ohne Erwartung’. Als je zonder verwachting wacht, dan kom je tot een zijn dat wezenlijk is. Dat inzicht heeft me getroffen en vormde de aanleiding tot het boek.’
Hangt dat wachten samen met uw beroep als psychiater?
‘Ik moet geduldig zijn en rustig de tijd nemen. Ik moet mensen hun eigen verhaal laten ontwikkelen en dat niet forceren. Dit is wezenlijk voor ons beroep. In de geneeskunde heet dat watchful waiting. Heidegger heeft het over een soort rustig kunnen laten zijn. Ook de zenboeddhisten streven het na.’
‘Het betekent niet dat je niets doet of jezelf terugtrekt in jezelf. Nee, het is een geëngageerd wachten. Je kijkt met open geest, verwonderd. Je bent aandachtig en vooral ook verbonden, zorgzaam, hoopvol, geëngageerd. Dat is het wachten waar ik voor sta.’
Helemaal anders dan het banale wachten dat we iedereen kent.
‘Ik vind dat we ook het geïrriteerde, ambetante wachten moeten kunnen omdraaien. Het zal niet altijd lukken, maar we moeten er iets constructief van maken. Dat is de kunst van het leven, vind ik, van het nadeel een voordeel maken.’
‘In Wachten beschrijf ik het moment dat ik wijlen de dichter Bernard Dewulf ontmoet in de rij bij de bakker. We waren allebei een boek aan het lezen, terwijl de andere wachtenden stonden te scrollen. Dat was een heel mooi moment. Het ontstond door het wachten. Als we wat aandachtiger zouden kunnen zijn op wachtende momenten, dan zou het leven rijker, maar ook minder irritant zijn.’
‘We jagen onszelf ontzettend op. Het beste voorbeeld is de manier waarop we bol.com en andere koopplatformen gebruiken. We zien iets op het scherm en we willen het meteen hebben. We klikken het aan en het moet er nu zijn. Als we twee dagen moeten wachten, dan maken we ons al ambetant. Heb ik dat pakje echt direct nodig?’
‘Ik pleit ook voor het herwaarderen van het verlangen, in al zijn betekenissen. Het verlangen dat teloorgaat in een al te directe, door consumptie gereguleerde maatschappij. Zelfs in het liefdesleven wordt het verlangen gedood. Ik ben op zich niet tegen Tinder, maar als het relationele leven vertinderd wordt, dan vrees ik dat het sterft.’
Wachten is een zeer persoonlijk boek. In hoeverre strookt uw doorvoelde pleidooi voor een geëngageerd wachten met de praktijk van de georganiseerde zorg? Die is uiteraard heel anders georganiseerd.
‘Dat is waar. De zorg werkt objectief, zit vol met protocollen en is gericht op oplossingen. Daar plaats ik in mijn eigen vakgebied vraagtekens bij. Ik ben kritisch over de geprotocolleerde, af te vinken psychiatrie. Over de diagnostische categorieën en de diagnose-behandelcombinaties, zoals die in Nederland heten (‘pakketprijzen’ voor een volledig zorgtraject, nvdr). Ik ben al jaren consequent in mijn kritiek.’
Hoe verloopt uw werk in het UPC?
‘Ik leid hier in het UPC Kortenberg een dagcentrum waar geen wachtlijst bestaat. Waar mensen altijd welkom zijn. De principes die ik beschrijf in mijn boek probeer ik waar te maken in mijn vakgebied. Ik hoop dat ik dat ook doe met mijn patiënten, ambulant of in consultaties.’
‘Ik ben uiteraard een deel van de wereld. Ik jaag mij ook op. Ik ben geen compleet onthechte zen-goeroe. Helemaal niet zelfs. Vanochtend stond ik weer in de file. Dan overdenk ik het schema van de dag en luister ik naar Klara. Ik probeer die wachttijd goed aan te wenden, nuttig te gebruiken. Om van dat nadeel een voordeel te maken. Maar het lukt mij niet altijd. Vanmorgen heb ik me een beetje opgejaagd. Ik was maar een klein beetje te laat. En de studenten aan wie ik les moest geven, waren nog later.’ (lacht)
‘Geduld is in mijn beroep belangrijk. Ik ben een geduldige mens. Maar het lukt me niet altijd.’
U beschrijft geduld als een deugd waaraan we vandaag nood hebben. Kan je geduldig zijn leren? Hoe krijg je meer geduld in de samenleving?
‘Wel, door er een boek over te schrijven en interviews te geven. In al mijn boeken heb ik geprobeerd om een antwoord te vinden op de maatschappelijke problemen die ik heb aangekaart in mijn debuut Borderline Times. Er kwam kritiek op het boek: je zegt wel wat er allemaal mis is, maar wat moeten we nu doen? Toen heb ik mijn andere boeken geschreven. Mijn boeken liggen in het verlengde van mijn psychotherapeutisch werk. Ik zeg niet aan mensen wat ze moeten doen.’
‘Mensen vragen dat soms wel. Dokter, wat moet ik doen? Ik zeg dan, ja, dat weet ik ook niet. Ik vertel in mijn boeken wat over mezelf. Het is een goede manier om dingen toegankelijk te maken. Op die manier hoop ik dat mensen zich afvragen hoe het bij hen in elkaar zit. Ik word veel gelezen en ik treed op voor grote zalen. Dat vervult me nog steeds met verwondering. Maar de kentering, de kanteling in die maatschappelijke evolutie, die zie ik vooralsnog niet.’
Hoe kijkt u naar uw eigen afscheid?
‘In januari geef ik een afscheidslezing. Vijftien jaar na Borderline Times. Mijn analyse is dat een aantal van de in dat boek beschreven fenomenen zijn toegenomen. Maar ik ben ook een hoopvolle mens. We kunnen wachten op beterschap. Geen passief, naar achteren leunend, cynisch wachten. Maar een geëngageerd wachten door te schrijven, door te spreken. Door mijn boodschap duidelijk te maken.’
‘Ik merk ook tekens van hoop. De jonge generatie denkt na hoe ze carrière en gezinsleven kunnen combineren. Of ze hun smartphone moeten uitschakelen. Hoe het met relaties, duurzaamheid en ecologie zit. Ik ben niet pessimistisch.’
Zorgen zorgverleners wel goed genoeg voor zichzelf?
‘Dat is een van mijn stokpaardjes: er moet voor de zorgenden ook goed gezorgd worden. Ze moeten dat ook toelaten. Er zijn nogal wat zorgende mensen die zich helemaal moe geven. Ze moeten dat leren begrenzen.’
‘De zorg en het onderwijs: dat zijn de twee pilaren waarop ons welzijn steunt. De zorg: het opvangen van mensen in nood. En het onderwijs: de jeugd binnenleiden in het volle leven. Het zijn twee bezigheden die eigenlijk schandelijk onderschat worden in onze wereld. Het gaat niet alleen om het financiële aspect, maar ook om respect. Daar ga ik over zagen tot het einde van mijn dagen.’
Is de organisatie van de welzijnszorg erop vooruitgegaan volgens u? In uw boeken roept u mensen op om ook voor zichzelf te zorgen en niet alleen te leunen op georganiseerde zorg.
‘Ik ben daarin niet van mening veranderd, integendeel. In mijn eigen vakgebied zeg ik het met klem. Zorg voor mekaar alsjeblieft. Als je met verdriet of een probleem zit, praat er dan over. Te veel mensen zwijgen, ze durven niet. Sommigen willen het imago van een ideaal leven op Instagram bewaren, om het lapidair te zeggen. Tot het niet meer gaat en ze terecht komen bij een professionele hulpverlener met lange wachtlijsten. Of bij mij, een hoogopgeleide, dure zorgverlener. Tot nu toe niet duur voor de cliënt, maar wel voor de maatschappij.’
‘Ik luister naar mensen met hart en ziel. Soms gaat het om first world problems. Iemand die worstelt met problemen op het werk en mij komt vragen wat hij moet doen. Waarom praat hij er niet over met collega's, familie, vrienden? Soms vertelt een patiënt me dat hij worstelt met de dood van zijn partner. “Is dat wel erg genoeg, dokter? Misschien mag ik hier niet zijn.” Het is een moeilijk evenwicht. In een zorgzame samenleving, die verbonden is, durven mensen naar elkaar te luisteren. Ze maken tijd. Ze zijn in staat om te wachten tot er een echt gesprek op gang komt.’
‘Voor elkaar zorgen betekent op geen enkele manier een vrijgeleide voor bezuinigingen in de zorg. Het budget voor de geestelijke gezondheidszorg is 6% in België. Dat is Europees en menselijk gezien heel weinig.’
Zorg is een zaak van goed fatsoen?
‘De zorg is een verantwoordelijkheid voor iedereen. Het gaat om burgerzin, om een oud woord te gebruiken. Het gaat om beleefdheid. Het is een beetje provocerend om die oude termen te gebruiken.’
‘Onze situatie wordt beïnvloed door langlopende ontwikkelingen, zoals de secularisering. We hebben een aantal rituelen en klassieke zingevers gelost, wat op zichzelf geen probleem mag zijn. Ik pleit niet voor een herkerkelijking of voor een spiritueel conservatisme. Ik pleit wel voor aandacht voor het sterven en voor het geboren worden, aandacht voor de verbinding tussen mensen daar en de rituelen die ontstaan. Vandaag psychiatriseert die aandacht.’
En medicaliseert ze…
‘Ja, dat zijn spijtig genoeg bijna synoniemen geworden. Een van mijn patiënten vandaag had haar partner verloren een paar maanden geleden. Haar verdriet was zo groot dat ze me pillen kwam vragen. We hebben lang gesproken en ze is zonder voorschrift naar huis gegaan. Ik hoop, ik denk dat ze daarmee vrede had. Tijd maken en luisteren is essentieel. Verdriet een plaats geven. Als mijn consultatie maar een kwartier zou duren, dan had ik haar waarschijnlijk medicatie gegeven.’
Hoe denkt u over de vergrijzing als maatschappelijk fenomeen? Het moderne ideaal is dat we efficiënt blijven meedraaien tot onze laatste dag. Dat utilitaire gaat in tegen uw visie op geëngageerd wachten?
‘Die uiterste nuttigheid is niet mijn boodschap. Ik hou graag een open blik. Ik vind het een goed idee dat mensen van mijn generatie, ik durf het bijna niet uit te spreken, nog een tijdje maatschappelijk betekenisvol kunnen zijn. Ik wik mijn woorden, maar voor mensen zoals ik, met een beroep waar ik zolang voor heb gestudeerd, is het niet zo gek om nog een tijdje door te werken. Als mijn gezondheid het toelaat. Er is ook een grote nood aan psychiaters. Het zou toch raar zijn dat ik dat nu al stop.’
‘Ik nodig iedereen uit om daar breder over na te denken. Er zijn zoveel mensen die zich nutteloos voelen. Zouden die niet kunnen worden ingeschakeld in de zorgzaamheid die we nodig hebben? Het moet ook niet altijd gaan om jobs met een zo groot mogelijk economisch rendement. Ik ben net terug uit Japan. In die vergrijsde samenleving zie je bijzonder veel ouderen meedraaien, ook in openbare functies.’
‘We zitten vandaag voor het eerst in de geschiedenis met een generatie 65-plussers die nog bijzonder gezond en helder zijn. En dan ben ik wel wat kritisch over 65-jarigen die zeggen: nu ga ik profiteren. Je mag genieten van het leven, maar ik hoop dat je niet moet wachten tot je 65 wordt. Je mag in je leven liefst genieten zowel van je vrije tijd als van je werktijd. Uiteraard mag dat worden aangepast aan je gezondheid en je loopbaan. Iemand met een zwaar lichamelijk beroep, zoals een dakwerker, kan dat wellicht niet tot 65 blijven doen. Maar misschien andere dingen wel.’
U gaat volgend jaar zelf met emeritaat.
‘Vroeger zou ik gezegd hebben: wat is dat voor iets zots? Nu denk ik: dat komt goed. Ik blijf bezig.’
U schrijft 2012 in Borderline Times: ‘Eén van de grote fenomenen in de samenleving van nu, die van jongeren in 2020 andere mensen zal maken, is de verbrokkeling. Waar vroeger consensus was en continuïteit zien we versplintering.’ Hoe kijkt u op die voorspelling terug?
‘Ik heb de impact van sociale media zien toenemen in mijn praktijk. Dat wordt ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Harde data bewijzen dat het niet alleen om mijn indruk gaat.’
‘Eind vorig jaar werd er voor Pano een avatar van mij gemaakt. Ik wilde dat absoluut doen. Digitale zorg gaat in de toekomst heel belangrijk worden. We moeten vanuit de universiteit en de wetenschap bekijken wat we ermee kunnen. We mogen het niet bij voorbaat afwijzen. We moeten digitalisering goed onderzoeken en kritisch doorlichten. Ik ben niet tegen technologie, maar het overspoelt ons. Ik heb mij ook achter die campagne gezet van Kids Unplugged (een oudercollectief dat het gebruik van de smartphone wil terugdringen, nvdr).’
‘De Hoge Gezondheidsraad geeft per leeftijdsgroep raad over het gebruik van sociale media. Ik vind dat terecht. Mijn idee is altijd: denk erover na. En uiteraard moeten gezinnen vooral zelf bepalen hoe ze er met hun kinderen mee bezig zijn. Als gezinstherapeut hoor ik echter dat gezinnen niet altijd op kunnen tegen zo’n groot maatschappelijk verhaal. Er moet een aanpak zijn die wordt gedragen door de samenleving, door de politiek. Op die manier geef je gezinnen de kracht om aan een kind van tien te zeggen: leg dat scherm nu even weg.’
U roept mensen op hun verantwoordelijkheid te nemen.
‘Ja, ik ben een systeemtherapeut die over het individu schrijft. (lacht) De boodschap in al mijn boeken is: denk na, zorg voor uw medemens, let op de kleine goedheid. Ik leg de nadruk op de individuele verantwoordelijkheid. Iedereen mag zich op zijn eigen manier afvragen wat hij kan doen. We moeten onze wereld niet al te betuttelend maken. We mogen onze verantwoordelijkheid nemen als mens, als burger, als ouder.’
‘Ik ben maar op één vlak een echte moralist: ouders moeten hun verantwoordelijkheid tegenover hun kinderen nemen. Voor de rest doen mensen hun goesting. Ik ga er mij niet mee bemoeien. In mijn praktijk zie ik de volwassen geworden kinderen van wie het leven is verknoeid omdat hun ouders niet naar hen hebben omgezien. Dat vind ik ontzettend destructief. Als je kinderen hebt, moet je voor hen zorgen.’
Dat veronderstelt ook een ethisch besef dat je deelt of overdraagt.
‘Ja, het gaat om ethiek. Ik kreeg een paar maanden geleden een vraag van een Nederlandse journalist van de Evangelische Omroep: denk je dat we kunnen samenleven zonder God? Ik heb hem gezegd: ik denk dat het wel zal gaan. Hebben we een God nodig om goed te leven? Ik hoop van niet, want anders ziet het er niet goed uit. Ik geloof niet in de God zoals de klassieke kerkelijkheid, die ik heb meegekregen, hem heeft voorgesteld. Maar ik geloof wel in de goddelijkheid. Ik geloof in de spirituele kracht van een mens. Ik geloof heel erg in de mens als mysterie. Ik geloof in het niet-weten, in het complexe, het heel bijzondere. Ik geloof in de verwondering en de bewondering. Dat vind ik wel een belangrijke menselijke gave: het gevoel voor wat voorbij het rationeel begrijpende ik gaat. En als ik naar mijn vakgebied kijk, dan geloof ik in wat voorbij het protocol gaat. Ik geloof in de ontmoeting van de medemens. Wat kan ik voor deze mens doen, voorbij de diagnose die is gesteld?’
Een centraal thema in uw werk is de worsteling van moderne mensen met het wegvallen van zin en betekenis.
‘Daarmee leren omgaan: dat is mijn missie. Al de rest zijn satellietsymptomen van dat gegeven.’
Ervaart u die worsteling bij u patiënten anders dan vroeger?
‘Ik heb het gevoel dat we nog verder zijn afgegleden. Dat heel veel mensen zich afvragen wat ze hier zitten te doen. Ze vertellen me hoe dat gevoel zich pas manifesteert als er een probleem ontstaat. De worsteling wordt versuikerd, zo omschrijf ik dat. Het is alsof de consumptie van vlugge suikers een tekort aan zin en betekenis maskeert. We overladen ons met consumptieproducten die ervoor zorgen dat het plezant is. Leukigheidscultuur.’
‘Maar dan gebeurt er iets. Je lief gaat lopen. Je kind doet niet wat je gedroomd had. Je verliest je werk. Je relatie eindigt. Dat is een verhaal dat ik vaak hoor in mijn praktijk. Alles liep goed en dan ineens niet meer.’
U benadert gezondheid en welzijn op een filosofische manier. Terwijl de rest van de wereld gezondheid wetenschappelijk en objectief probeert te meten.
‘Op heel jonge leeftijd heb ik de keuze gemaakt om psychiater te worden. In heb in de jaren zeventig gestudeerd en ben gevormd door de antipsychiatrie, een kritische benadering van de klassieke psychiatrie: de schizofrene mens is de normale mens in de wereld die niet normaal is. Het boek dat me sterk heeft gevormd is Wie is van hout… van Jan Foudraine. Borderline Times was mijn onderbouwde, minder naïeve, meer genuanceerde versie van die traditie.’
‘Ik vrees dat we in de psychiatrie weer teruggaan naar een individueel medisch model. Er is minder aandacht voor verbondenheid, voor het symptoom in een context, voor het “ik ben in de blik van de ander”. Het is een golfbeweging. Ik ben niet te pessimistisch. Er zijn tegenstemmen. Ik ben er één van, maar ook de Nederlandse psychiater Jim van Os is krachtige kritische stem.’
U bent niet tegen diagnostiek, maar het is slechts een hulpmiddel.
‘In het therapeutische werk zetten we de diagnose opzij en zeggen we: vertel eens over uw depressie. Elke depressie is anders. Hoe langer ik psychiater ben, al 40 jaar intussen, hoe beter ik weet dat depressie ingewikkelder is dan wat er in de boeken staat. Dat ik altijd weer opnieuw moet luisteren. Je zou denken, nu weet Dirk De Wachter het wel. Welnee, nu weet hij het nog minder. En dat niet-weten is ook een rijkdom.’
Dirk De Wachter, Wachten. Een levenshouding, LannooCampus, 2025, 168 p. ISBN 9789020999655 | € 24,99