Pleidooi voor grijze kracht

Jean Paul Van Bendegem bevrijdt senioren van clichés

Afgeschreven, uitgeblust, achterhaald: de manier waarop de samenleving tegen ouderen aankijkt barst vaak van de clichés. Alvast één oudere man legt hier zich in elk geval niet bij neer. Filosoof Jean Paul Van Bendegem beschrijft in Wijs, grijs & puber hoe het anders kan. Weliswaar sprak met hem.

Jean Paul Van Bendegem is één van de bekendste emeritus professoren van het land. Samen met collega-filosoof Ignaas Devisch maakte hij tijdens Iedereen beroemd publieksfilosofie populair door dooddoeners te analyseren. Als wiskundige heeft hij van logica en wetenschapsfilosofie zijn vak gemaakt. Dat heeft hem er nooit van weerhouden om veel te schrijven over ‘onwetenschappelijke’ onderwerpen, zoals de liefde, Sherlock Holmes, humor of spiritualiteit. Van Bendegem bewandelt het pad dat is uitgestippeld door wijlen Leo Apostel, de Gentse filosoof en ethicus die de kloof tussen exacte en humane wetenschappen wilde overbruggen. Daarom is het geen verrassing dat Van Bendegem een van de taboes van onze tijd aanpakt: ouderdom.

Op een mooie dag stapt Van Bendegem de trein op zonder ticket. Een vergetelheid van iemand die zijn leven lang een treinabonnement had. Van Bendegem, vandaag 68 jaar jong, wordt betuttelend toegesproken door de conducteur. Het maakt hem opstandig. In Wijs, grijs & puber. Pleidooi voor de burgerlijk ongehoorzame senior gaat hij het ‘grijsisme’ in onze samenleving te lijf. “Wat ik wil voorstellen,” schrijft Van Bendegem, “is het promoten van de burgerlijk ongehoorzame senior, of in wat meer poëtische termen, een pleidooi voor geronto-puberaal gedrag.” Ouderen noemt hij “volwaardige menselijke wezens die een evenwaardige positie opeisen in de samenleving. Het is dan ook aan de omgeving om daarmee te leren omgaan, niet in eerste instantie aan de senior.”

Een positief verhaal over ouder worden

Ouderen zijn niet ‘economisch nutteloos’, schrijf je. Je levert daar zelf het bewijs van.

Jean Paul Van Bendegem: “Ik geef behoorlijk wat lezingen, ook over Wijs, grijs & puber. Als ik niet met pensioen zou zijn, dan zou ik mijn werk kunnen inruilen voor wat ik nu doe.”

Drie decennia geleden had je je werk echter niet kunnen opgeven. Je hebt jarenlang geschaafd aan wat je kent en kunt. Is dat de waarde van de levenswijsheid die je beschrijft in je boek?

“Net als iedereen moet een academicus ook ik leren leven met beperkingen en frustraties. Projecten die worden afgewezen. Financiering die wegvalt. Mij fascineert vooral waarom levenswijsheid zo laag wordt ingeschat, zeker in vergelijking met de exacte wetenschap en haar laboratoriumresultaten. Vandaag mijn aanval op ‘grijsisme’. Bij mijn lezingen merk ik dat mijn toehoorders het niet noodzakelijk eens zijn met mij. Het idee dat we op oudere leeftijd opnieuw puber zouden worden, dat gaat hen te ver. Ze gaan niet mee in de opstandigheid. Wat hen wel raakt, is het simpele feit dat er iemand een positief verhaal over ouder worden komt vertellen.”

Aanvaarden mensen wat je zegt?

“Echt negatieve commentaren zijn er niet. Eerder het geluid en de toon vallen op. Ze hebben nog niet vaak gehoord dat iemand zegt: ik ben senior en ik beleef een heerlijke tijd. Er is een zekere vreugde na een lezing. Mensen met een duidelijke natuurwetenschappelijke achtergrond vallen me graag aan op mijn vermeende miskenning van wetenschappelijke kennis. Dat doe ik dus zeker niet in mijn boek: ik plaats praktische wijsheid naast wetenschappelijke kennis. Voor mij maakt wijsheid het beeld dat ik van het leven heb vollediger. Het is niet alleen de exacte wetenschap die bepaalt hoe we onze werkelijkheid ervaren.”

Je boek is in geen geval bedacht als een handleiding.

“De positieve toon overheerst, wat ik als filosoof graag heb. Ik mijn jonge jaren dacht ik dat je een lezing gaf om een publiek te overtuigen. Als ik een lezing tegen astrologie gaf, dan ging ik ervan uit dat mensen na afloop uitriepen: astrologie, wat een onzin!’ Tegenwoordig ben ik ontzettend blij als er na afloop mensen naar me toekomen en zeggen: ik ben het niet helemaal eens met u, maar zo had ik het nog niet bekeken. Dat vind ik waardevol. Die ervaring heb ik nu dus vaak met Wijs, grijs & puber. Ik moedig mijn publiek aan. Jullie bestaan nog altijd. Je hebt een plaats. Eis die op!”

Machteloosheid aanvaarden

Je bent toch vooral heel eerlijk over ouder worden?

“Ik steek niet weg dat de toekomst onzeker is. Wat kan er allemaal niet gebeuren op tien jaar tijd? Daar heb je weinig greep op. Ik ben nu wel zo goed als volledig gestopt met roken. Redelijk laat, dat geef ik toe.’ (lacht)”

“Ouderdom wordt vaak als een ziekte benaderd. Als dat beeld zou veranderen, dan zouden we ook anders over de dood beginnen na te denken. Stel dat je wist wanneer je zou sterven… Ik heb bijvoorbeeld geen afscheid kunnen nemen van mijn ouders en schoonouders. Drie van de vier zijn plots gestorven. Maar van iemand die aan dementie lijdt, kan je eigenlijk ook geen afscheid nemen. Zolang er nog een fractie van die persoon aanwezig is, wil en kun je geen vaarwel zeggen. Tot je op een dag merkt dat die persoon wel degelijk verdwenen is. Ik vergelijk het met een treinperron. Je hebt al uitgebreid afscheid genomen en nu sta je nog die lange vijf minuten te wachten tot de trein het station binnenrijdt. Op dat moment kan je niets meer doen. De persoon die je hebt uitgezwaaid stapt op de trein en je staat wat onwennig te wachten tot de trein vertrekt. Je kan niets meer doen, zeker geen gesprek meer beginnen, want het afscheid is al voorbij.”

Je bent een babyboomer. En de babyboomers die met pensioen gaan vormen een grote groep. Ze zijn eigenlijk de kern van de vergrijzing. Voel je in je lezingen dat die groep zich van haar macht bewust is, of heerst er een gevoel van machteloosheid?

“Ik kom alleszins weinig mei ’68 tegen. Ik moet ook altijd lachen wanneer jongeren mijn generatie als hippies bestempelen en ons ervan beschuldigen dat we alles hebben verknoeid. Procentueel viel de aanwezigheid van hippies hier wel mee.” (lacht)

“Ik merk veel meer machteloosheid, maar wellicht heeft dat ook te maken met de samenstelling van mijn publiek. De mensen die naar zo’n lezing komen, zijn uiteraard mondiger. Ik vergeet nooit een lezing die ik gaf in een nieuw en luxueus wooncomplex in Antwerpen, met serviceflats en een woonzorgcentrum. Aan een bewoonster van een serviceflat vroeg ik of het niet aangenaam was om op zo’n mooie plek te wonen. ‘Ja,’ zei ze, ‘maar er is wel één probleem. Als ik ’s ochtends mijn gordijnen open, dan kijk ik op dat andere gebouw. De enige gedacht die dan in mijn hoofd zit, is: wanneer?’ En gelijk was haar dag verpest. Dat was haar zorg. Zelfs de meest luxueuze omstandigheden kunnen dat gevoel van machteloosheid niet tenietdoen.”

Praktische wijsheid

Er is natuurlijk heel wat veranderd.

“Als ik terug in de tijd ga, dan kom ik vanzelf bij mei ’68 uit. Ik herinner me dat er toen een sterfzaal was in het oude ziekenhuis op de Bijloke in Gent. Als je met bed daarnaartoe werd verhuisd, dan wist je hoe laat het was. Het was een half verduisterde zaal. Ook de familie wist heel goed wat de sterfzaal betekende. Het was zo intens expliciet dat het vandaag ondenkbaar zou zijn, denk ik.”

Het gesprek over ons levenseinde is wel objectiever geworden, omdat de wetenschap ons toelaat meer te weten.

“Dat is zo. In vroeger tijden was het sterven echt een proces van afwachten, van niet-weten.”

De tijd die we in onze levensverwachting hebben gewonnen tegenover vroeger, daarvan zeg je dat we haar niet goed genoeg gebruiken. We hebben dwanggedachten en remmingen. Je pleit voor meer levenskunst om aan die dwang te ontsnappen.

“Eerlijk gezegd: het is de eerste keer dat ik over zo autobiografisch schrijf. Ik voel me nauw bij het onderwerp betrokken. Als ik mijn protestantse opvoeding zou laten spreken, dan zou ik het een hovaardige houding noemen. (lacht) Ik weet uiteraard dat andere mensen van mijn leeftijd veel tragischer ervaringen hebben. Ik heb niet te klagen.”

Je voert in je boek Aristoteles op, de Griekse wijsgeer die over deugden schreef: hoe richt je je leven nuttig in, in relatie met anderen.

“Ik ben even geïnteresseerd in gevolgenethiek, hoor. (lacht) Maar voor een logicus is historisch besef niet zo belangrijk, zodat ik de oude Grieken later heb leren kennen. Hoe Aristoteles denkt over oorzaken fascineert me. De mens is volgens hem pas tevreden als hij de oorzaak van de dingen kent. Ik kende uiteraard een begrip als praktische wijsheid: hoe je door te denken jezelf en andere stuurt. Maar zijn ethische geschriften heb ik pas nu grondig gelezen.”

“Met een begrip als praktische wijsheid ben ik dus echt iets. Ik kan het naast wetenschappelijke kennis plaatsen, zonder daar iets van af te doen. Het is geen vervanging of tegenstelling, maar verdient een eigen plek.”

“Tijdens mijn lezing vraag ik mijn toehoorders welk beeld ze associëren met een wijze mens. Bijna iedereen is het erover eens dat het moet gaan over een ouder iemand, die wit is en man, en bij voorkeur een baard heeft. Want hij moet dit kunnen doen… (Jean Paul Van Bendegem strijkt met zijn hand over zijn baard en lacht) Dat is het teken van wijsheid. Als je zo iemand tegenkomt en je zegt dat je het moeilijk hebt, dan luidt het antwoord: ja, je denkt dat je de enige bent, zeker? (lacht) Dat cliché wil ik graag confronteren met een oude bron. De eerste sporen van heel wat filosofische vragen vinden we terug bij de oude Grieken.”

Naast het meten zijn er voor jou nog andere bronnen van kennis. Doordat we zo geloven in het meten van onze wereld, maken we het onszelf op latere leeftijd moeilijk?

“Het is zeker niet mijn bedoeling om te streven naar de ‘tien geboden voor senioren’. Hoewel Moses er wel de leeftijd voor had. (lacht) Als je gevolgenethiek bedrijft, moet je redelijk blijven. Je kan mensen niet vragen om 20 stappen vooruit te denken. Die redelijkheid kan ook gebaseerd zijn op ervaring. Wijsheid kan op dat moment even belangrijk zijn als de beste wetenschappelijke kennis.”

Vind je dat ook toepasselijk op de zorgsector?

“Mijn enige raad is dat je je moet afvragen of je voor alle aspecten van het leven, of van de zorg, cijfers nodig hebt. Doorgedreven meten en analyseren leidt ertoe dat je dingen uitsluit, omdat ze niet in de planning zitten. Dat is een probleem dat zich ook stelt aan de universiteit en in scholen. Ik wordt ook gevraagd om in middelbare scholen te komen vertellen hoe mooi wiskunde is. Mogelijk omdat de leraar wiskunde daar geen tijd voor meer heeft.”

“Ik hou in mijn lezing over het boek ook een pleidooi voor zin voor detail. Zo’n woonzorgcentrum kan een vrij grote groep mensen huisvesten. Een doorgedreven individuele behandeling zou de best denkbare oplossing zijn, als het mogelijk zou zijn. Van verzorgend personeel heb ik al vaak gehoord dat ze dat graag zouden doen, maar het niet kunnen. Eens alle taken uitgevoerd zijn, blijft er geen tijd over. In vergelijking met vroeger is zorg al een stuk menswaardiger geworden, maar wat mij betreft nog niet menswaardig genoeg.”

Je kan niet alles oplossen

Weten we wel genoeg over ouderdom?

“Mijn schoonmoeder is dement geworden en heeft een tijd verbleven in de gesloten afdeling van een ziekenhuis. Dat blijft een uitzonderlijke situatie als je de samenstelling van de hele groep ouderen bekijkt. Niet iedereen kom in zo’n afdeling terecht. Ik vond daarom het onvoorstelbaar hoeveel mensen er na de eerste coronagolf dachten dat ongeveer alle senioren in woonzorgcentra verbleven. De centra kwamen continu in het nieuws, in vergelijking met de senioren die nog vrij rondliepen. (lacht)”

Onze zorg op maat bestaat dankzij de professionalisering van de zorg, en die gaat hand in hand met wetenschappelijk onderzoek en efficiënt beheer. Zeg je nu ook dat die ontwikkeling niet noodzakelijk een meetbare vooruitgang heeft opgeleverd?

“Ik heb nooit geloofd in de absolute maakbaarheid van mens en samenleving. Je kan onmogelijk elk probleem oplossen, maar dat wil niet zeggen dat je laks moet zijn. Ik draag dat idee al heel lang mee, als onderdeel van mijn eindigheidsdenken. Er zijn grenzen aan onze mogelijkheden en capaciteiten. Tot op zekere hoogte zijn die grenzen of indicatoren niet arbitrair. De wetenschap zelf levert me veel kennis op over hoe mensen reageren op problemen. Paniek kan bijvoorbeeld een normale reactie zijn. Die grenzen van onze capaciteiten kunnen dus veralgemeenbaar zijn. Daarom kan je laksheid verwerpen, als je die grens nog hebt bereikt. Er komt echter ook een punt waarop je redelijkerwijze niet nog meer van mensen kan verwachten.”

Zorgt ons diepe geloof in meetbaarheid ervoor dat we niet meer zien hoe onvoorspelbaar het leven kan zijn?

“Dat is de reden waarom humor zo belangrijk is. Het beschermt je, schermt je af, maar laat je ook toe te ontdekken, omdat je waanzinnige scenario’s bedenkt waarover je kan nadenken.”

“Ik ben een grote aanhanger van het ‘système débrouillard’: trek je plan. Je moet thuis een probleem oplossen, maar je vindt het juiste materiaal niet. Dus kijk je rondom je of je iets kan gebruiken. Het verplicht je om creatief te zijn. Ik wil de uitdrukking ‘out of the box’-denken niet gebruiken, want mensen weten vaak niet waar de doos staat. (lacht) Ik heb bij mijn studenten alleszins gemerkt dat ze vaak zelf de flexibiliteit missen die ze zogezegd niet terugvinden bij senioren. Uiteraard zijn er oudere mensen bij wie alles trager gaat. De duizenden actieve senioren die ik tegenkom op mijn lezingen bewijzen het tegendeel. Het is niet zo dat je in de regel van heel flexibel afzakt naar minimaal flexibel. Het gebrek aan flexibiliteit hangt niet noodzakelijk samen met de leeftijd.”

Pleidooi voor imperfectie

Dankzij wetenschappelijke vooruitgang verzamelen we data over onszelf waarmee we onze gezondheid kunnen monitoren. Neem nu de wearables. Dat is toch positief?

“Hoe gaan we om met al die data? We verzuipen erin. Als je niet leert wat die statistieken en cijfers betekenen, weet je eigenlijk niets. Ik ben nu aan mijn volgende boek bezig. Het wordt een pleidooi voor imperfectie. Ter voorbereiding ben ik een stappenteller aan het uittesten. Ik probeer te weten te komen hoe snel je de data van die wearable kan vervalsen, bijvoorbeeld door een verkeerde houding aan te nemen. Op 10.000 stappen kan ik een ‘foute meting’ van ruim 500 stappen uitlokken. Dat is niet weinig.”

“Ik vraag me ook af waarom die 10.000 stappen nu net als gezond worden ervaren. We weten dat niet zeker. Het Japanse karakter voor 10.000 lijkt op een figuur die wandelt. Dat is een van de mogelijke verklaringen. Ik ben bereid om dat te aanvaarden. (lacht)”

Wijs, grijs en puber is verschenen eind 2020. Heeft het afgelopen coronajaar je op andere gedachten gebracht?

“Ik vertel in het boek uitdrukkelijk dat ik het niet heb geschreven naar aanleiding van de epidemie. Anders zou je kunnen zeggen: alles is weer in orde eens corona voorbij is. Corona heeft mijn standpunt wel scherper gesteld. Ik vergeet nooit de uitspraken van de Nederlandse opiniemaker Marianne Zwagerman in het voorjaar van 2020. Ze vond het toen niet erg dat al die senioren in rusthuizen stierven aan de gevolgen van corona. Ze vergeleek hen met ‘dor hout’ dat moest worden gesnoeid. Achteraf heeft ze die uitspraken toegelicht. Maar wanneer ik haar uitspraak als voorbeeld gebruik tijdens een lezing, dan weet mijn publiek zeer goed dat niet om een uitzondering gaat.”

Jean Paul Van Bendegem, Wijs, grijs en puber. Pleidooi voor de burgerlijk ongehoorzame senior, ASP, 2020, 200 p. ISBN 9789057189487. €19,50

Foto's
Jan Locus