welzijn & zorg

Wie een sterk waarom heeft, verdraagt bijna elk hoe

Simon Godecharle over ouder worden in een samenleving die nut verwart met waarde
24.08.2026
Foto's
Jan Locus

We meten mensen af aan hun nut. Die houding beïnvloedt ook onze kijk op ouder worden en zorg. Ethicus, zorgstrateeg en ondernemer Simon Godecharle pleit voor een radicale ommekeer. De redding van de zorg komt volgens hem niet van meer geld of van mooie waardenkaders, maar van betekenis. “Zorg is niet leuk. Maar ze is wél betekenisvol. En het meest wanneer ze het lastigst is.”

Simon Godecharle kent vele kanten van de zorg. Hij studeerde theologie aan de KU Leuven en promoveerde er tot doctor in de biomedische ethiek. Jarenlang was hij verantwoordelijk voor het ethische beleid bij zorggroep Emmaüs. Hij was ook adjunct-directeur van een woonzorgcentrum in Ravels bij Turnhout. Vandaag treedt hij op als ‘hands-on ethicus’ en zorgstrateeg. Zijn zaalshow Vonk gaat over stress en hoe je het wel kan volhouden.

Samen met voormalige Vlaamse Zorgambassadeur Candice De Windt schreef hij Wat als jij morgen zorg nodig hebt? Het boek ontkracht zeven hardnekkige mythes over ouderenzorg.

De vraag ‘Wat als jij morgen zorg nodig hebt?’ staat centraal in je boek. Staan we te weinig bij onze kwetsbaarheid, onze eindigheid?

Simon Godecharle: “Dat denk ik wel. Iemand sterft niet omdat hij niet meer eet, iemand eet niet meer omdat hij aan het sterven is. Als je die persoon dan nog water geeft, geef je vooral ongemak. Dat weet je rationeel. Maar in de praktijk is dat een heel dunne lijn. Het fascinerende is hoe de ene mens er veel meer klaar voor is dan de andere.”

Je boek laat zien dat er aan het levenseinde nauwelijks nog iets natuurlijks is.

“We leven in een tijd waarin we alles nu willen. Er is een reden waarom Ozempic zo populair is. Het zorgt voor resultaat. Je ziet het overal. Neem nu de manier waarop we met vruchtbaarheid omspringen. We nemen lang de pil en dan, op een bepaald moment, willen we kinderen. En wel nu meteen, deze week liefst. Als mensen sterven, dan zie je hetzelfde. Men zou een fantastisch en gezond leven willen leiden tot de laatste seconde, en dan op commando sterven.”

“Wat men niet verdraagt, en dat begrijp ik volkomen, is die tussenzone van onmacht en vertwijfeling. Niet zelf kunnen beslissen over je einde. Aan sterven is niets romantisch. Wie ooit iemand heeft zien sterven, weet dat. Die onmacht aanvaarden is bijna onmogelijk voor ons als soort, omdat we een constante beheersdrang hebben. Die drang heeft ons als mensheid enorm veel opgeleverd: welvaart, wetenschap en medische kennis. Maar bij het ouder worden botst onze drang naar controle op haar grenzen.”

Onze voorouders hadden doorgaans een zwaarder leven dan wij, maar liepen minder risico op burn-out. Hoe verklaar je dat?

“Dat is filosofisch gezien een paradox. We hebben de afgelopen eeuw een enorme, objectief meetbare vooruitgang in ons comfort gekend. Mijn grootouders hadden een toilet op het erf. Niet uit romantiek, maar omdat ze niet anders konden. Onze reizen, de vele studiejaren, de moderne huizen waarin we wonen: die materiële vooruitgang is echt. Maar dat betekent niet dat we er mentaal op vooruit zijn gegaan. Ik denk eerder het tegendeel. Mensen met een loodzwaar leven, getekend door geweld en armoede, vielen niet per se vroeger uit. Mijn grootmoeder had een fantastisch gevoel voor humor. Als ik haar zou vertellen dat mijn grasrobot me stress bezorgt, dan zou ze me vierkant uitlachen. Vroeger was het niet beter. Maar comfort is niet hetzelfde als welbevinden.”

Je legt de link met een doorgedreven professionalisering van de zorg.

“Tot de jaren zeventig werd je vooral geschikt geacht voor de zorg als je attitude goed zat of als je een spirituele overtuiging had. Die mensen deelden een groot verhaal, bijvoorbeeld katholiek of socialistisch, en wisten heel goed waarom ze in de zorg stonden. Vanaf de jaren zeventig kwam de professionalisering, met diploma’s, goed opgeleid personeel, strakke organisaties. Fantastisch, het heeft ertoe bijgedragen dat we langer leven. Vanaf de jaren negentig kwam de hyperprofessionalisering. Ik sprak onlangs een orthopedisch chirurg die alleen nog knieën doet. Ik vroeg half lachend of hij de linker of de rechter deed. Dat is de richting die we uitgaan. We weten beter dan ooit wat we technisch moeten doen en we zijn onderweg vergeten waarom we het doen.”

Waarom sta je kritisch tegenover meritocratie?

“We zeggen tegen onze kinderen: jij kan alles worden wat je wilt. Dat is een prachtige belofte. Alleen hebben we ze losgekoppeld van elke sociale correctie. Als mijn succes volledig mijn eigen verdienste is, waarom zou ik bijvoorbeeld dan nog belastingen betalen? Als jouw succes je verdienste is, dan is jouw falen volledig je eigen schuld. Doet iemand een beroep op de welzijnszorg? Dan wordt dat stilaan gelezen als een eigen keuze.”

Je toetst dat tijdens je show af met één concrete vraag over pensioenen.

“Ik vraag aan de zaal wie er 100% zeker is dat hij een pensioen zal krijgen. Had ik die vraag tien jaar geleden gesteld, dan had iedereen zijn hand opgestoken. De meerderheid van de zaal steekt zijn hand vandaag niet meer op. Met andere woorden: je moet voor jezelf zorgen. Als je in een veeleisende wereld volledig zelf verantwoordelijk bent voor je succes, dan draag je zoveel stress dat je uitgeput raakt. Je hebt altijd het gevoel tekort te schieten. Je hebt geen energie meer om voor iemand anders te zorgen.”

Nut wordt zo gelijkgesteld aan waarde.

“Ik moet denken aan mijn schoonvader. Dat is een handige man. Als hij komt, dan raken de dingen opgelost. Hij is dus zeer nuttig. Maar als hij als mens minder nuttig zou worden, wordt hij dan ook minder waardevol? Als je die vraag luidop stelt, dan zegt iedereen nee. Maar in de praktijk geeft onze samenleving het tegenovergestelde antwoord. Wie minder nuttig is, wordt minder waardevol. Er ontstaat zelfs een soort smetvrees: als ik te veel omga met mensen die ‘nutteloos’ zijn, dan word ik het misschien zelf ook. Die sfeer bepaalt toch ook een beetje hoe er naar zorg wordt gekeken.”

Hoe vermijd je dat ouderenzorg herleid wordt tot een louter economische discussie over betaalbaarheid?

“De politiek-pragmatische vraag is heel simpel, maar confronterend: hoeveel mag een mensenleven kosten? We rekenen volop. Wat een behandeling bij een ouder mens oplevert, drukken we uit in QALY’s, in gewonnen levensjaren gecorrigeerd voor levenskwaliteit. Mensen schrikken als ik dat zeg, maar zo werkt het. Uiteraard moet je betaalbaarheid ernstig nemen. Maar wie de ouderenzorg herleidt tot dat ene cijfer, mist waar het echt om draait. Want ons grootste probleem is geen rekenprobleem.”

Waar begint dan voor jou de oplossing van het probleem dat je schetst?

“De grootste crisis die we vandaag hebben, zeker in de ouderenzorg, is een zingevingscrisis. De Amerikaanse sociale wetenschapper Arthur C. Brooks beschrijft dat mooi. Vier dingen hollen je uit als je ernaar blijft zoeken: meer geld, aandacht en macht, en een puur hedonistische levensstijl. Vier dingen heb je echt nodig: vrienden, een breed netwerk en een familie, het gevoel iets betekenisvols te doen, en zingeving. Die laatste twee, dat is de grote opdracht. Het is niet de taak van een werkgever om je vriend of je familie te zijn. Maar het is wel 100% zijn taak om duidelijk te maken dat je werk als zorgverlener uitermate waardevol is. Dat is cruciaal als je de ouderenzorg wil redden. Het klopt wat zowel Viktor Frankl als Friedrich Nietzsche beweren: wie een sterk waarom heeft, verdraagt bijna elk hoe.”

Er is toch geen gebrek aan waardenkaders en visieteksten?

“Als ethicus zou ik de eerste moeten zijn om voor waarden te pleiten. Vraag in een organisatie naar de waarden en de helft van de mensen kent ze niet. De andere helft begint over autonomie, respect en solidariteit. Ik heb nog nooit een woonzorgcentrum bezocht dat beweerde: wij staan voor ijskoude, efficiënte zorg. Iedereen zegt hetzelfde: warme zorg, samen, voor elkaar. Het probleem is dat die waarden in de praktijk vaak weinig betekenen. Ik was onlangs in een uitgesproken christelijk woonzorgcentrum. Ik vroeg hoe ze hun mensen motiveerden. Ze hadden blijkbaar één slogan: ‘Wat zou Jezus doen?’ Dat komt extreem over, ik weet het. Maar het werkt fenomenaal. Iedereen kent dat verhaal. Het is concreet genoeg om te oriënteren en vaag genoeg om overal toepasbaar te zijn. Bij ‘respect’ en ‘solidariteit’ verandert er morgen niets aan wat mensen feitelijk doen.”

Je verklaart dat verschil ook neurologisch.

“Ons gesprek loopt rustig, gefocust, met weinig stress. Dat noem ik een neocortexmoment. De neocortex staat in voor je rationele en je empathische denken. Maar in de praktijk kom je mensen tegen met een heel andere doorbloeding in hun brein: veel meer richting de amygdala, het overlevingsorgaan dat nu meteen een antwoord wil. Dat is het gevolg van continue stress. Vanuit een keurige visietekst communiceren met iemand die onder stress staat, werkt gewoon niet. Daarom denk ik dat de opdracht niet is om visieteksten te maken. De opdracht is echte zingeving combineren met concretere ingrepen. Zet bijvoorbeeld een speeltuin in je woonzorgcentrum, zodat bewoners hun kleinkinderen zien spelen en de medewerkers plezier beleven.”

Je zegt tegelijk heel nadrukkelijk: zorg is niet leuk.

“We hebben drie kinderen, van wie er eentje een hogere zorgnood heeft. Kort samengevat: papa zijn is niet leuk. Wie vader wordt omdat hij denkt dat het leuk zal zijn, is verkeerd ingelicht – en blijft het niet lang. Maar papa zijn is wel betekenisvol, altijd, en het meest wanneer het niet leuk is. Pas dat toe op de zorg. Uiteraard zijn er leuke momenten, succeservaringen. Maar zorg hoeft niet leuk te zijn. Ze moet wel betekenisvol zijn. De vreemde reflex van vandaag is dat we alles willen opleuken. De belangrijkste vraag is hoe we zorg betekenisvoller maken. Hoe geven we mensen het gevoel dat ze iets kunnen betekenen voor een ander?”

In je zaalshow draait alles om die ‘vonk’. Waarom is die vonk nodig? Volstaat het niet dat ze gewoon hun werk doen?

“Gewoon je werk doen volstaat niet wanneer dat werk je voortdurend teleurstelt. In de zorg is er sprake van structurele morele stress. Je wil goede zorg geven, maar het systeem dwingt je vaak te kiezen voor efficiëntie boven menselijkheid. Als je geen tijd hebt, dan wordt medicatie de snelle oplossing en verdwijnt de nuance. Zo bots je elke dag opnieuw op je eigen onmacht. Als je op dat moment alleen je taak uitvoert, zonder een helder waarom, dan haak je op den duur af. Die vonk is geen luxe. Ze helpt je om het vol te houden wanneer het lastig wordt. Zonder vonk, zonder een sterk waarom, hou je de zorgsector niet recht.”

In je boek leg je de nadruk op de betaalbaarheid van de vergrijzing. Hoe pakken we dat aan?

“We hebben geen plan waar we over tien, twintig jaar willen staan. Als je de toekomst wil voorspellen, kijk dan naar de voorbije vijf jaar. Ik zie, en op dat punt ben ik heel nuchter, een toenemende segregatie. Aan de ene kant komt er een ‘Aldi van de ouderenzorg’: betaalbaar, goed genoeg. Dat is geen slecht model. Aan de andere kant komt er, commercieel of niet, een blok waar mensen extra service afkopen: elke dag een bad, een iPad met menukeuze op de kamer. Ik woon in Oud-Turnhout, met een armoedecijfer van ongeveer 1%, pal naast Turnhout, waar bijna één kind op drie in armoede opgroeit. Die twee werelden bestaan naast elkaar, en die kloof komt er ook aan in de ouderenzorg. Als je dat niet wil, dan heb je een plan nodig. Maar dan moet je eerst durven zeggen wat het doel is. Iemand in leven houden kan met weinig middelen. Iemand een menswaardig leven geven is iets anders. Hoeveel mag dat kosten? En is het een Aldi-model of een Apple-model?”

Wat verlies je als je die segregatie gewoon laat gebeuren?

“Zorg wordt een persoonlijk probleem. Als dat de onderstroom is, wordt zorg voorwaardelijk. Collectief vinden we nu al dat waardigheid gradueel is: hoe minder nuttig, hoe minder waardevol. Het rare is dat je zo je eigen toekomst hypothekeert. Blijkbaar gaan we ervan uit dat iedereen oud wordt behalve wij.”

Is het de taak van de zorg om die sociale ongelijkheid te corrigeren?

“Is de opdracht van een woonzorgcentrum louter technische zorg bieden, of moet het ook een sociale correctie inbouwen? Als je nee zegt, dan krijg je een zuiver klantmodel. Sommigen zullen daar heel blij mee zijn. Als je ja zegt, dan heb je een ongelooflijk sterk plan nodig, en snel. Voor mij is de kerntaak van de staat de zwakkeren beschermen. Maar wie zijn die zwakkeren precies, en wat is het minimum waarop iedereen mag rekenen? Op die vragen krijg ik vandaag geen antwoord.”

Je pleit voor een benadering van ouderen die vertrekt van hun mogelijkheden. Wat vraagt dat concreet van zorgverleners?

“Is waardevol zijn iets absoluuts of iets gradueels? Ik vrees dat we vandaag vaak het tweede denken: hoe minder iemand kan, hoe minder waardevol we hem stilzwijgend vinden. Als je daarentegen vindt dat een mens altijd waarde heeft, dan kijk je anders. Iemand die zijn armen nog kan gebruiken, kan knutselwerkjes maken voor de crèche om de hoek. Mijn onlangs overleden grootmoeder was halfzijdig verlamd, en toch deed ze nog van alles. Zorgverleners zouden niet eerst naar de beperking mogen kijken, maar naar wat iemand nog te bieden heeft. Dat kost geen extra miljoenen.”

Hoe kunnen we ouderenzorg beter organiseren?

“De echte vraag is: wie is die oudere eigenlijk? Hebben we het enkel over de zwaar zorgbehoevende bewoner van een woonzorgcentrum? Of ook over iemand die gewoon zegt: ik ben minder mobiel dan vroeger. De gemiddelde verblijfsduur in een woonzorgcentrum is gezakt tot minder dan anderhalf jaar. Mensen komen er laat toe en zijn vaak al erg zorgbehoevend. Een woonzorgcentrum is dan ook iets heel anders dan een zorgcampus met serviceflats, of een eerstelijnsdienst. In West-Vlaanderen bijvoorbeeld zet een organisatie als Curando ook in op tuinmannen en thuiszorg — een veel breder spectrum.”

Je bent niet alleen ethicus, maar ook ondernemer. En je vindt ondernemerschap essentieel voor de zorg.

“Veerkracht en zingeving hebben per definitie met ondernemen te maken. Ik bedoel niet dat je commercieel moet zijn, wel dat je moet handelen. Ik ben niet tegen winst, integendeel, winst is goed. De vraag is alleen: wat ís winst? Zijn het middelen? We moeten daar niet flauw over doen, zorg kost geld en je hebt middelen nodig. Maar is winst niet evengoed een betekenisvol gesprek, of het gevoel dat je iets hebt bijgedragen? Voor mij is winst betekenisvolle zorg, waarbij zowel wie de zorg krijgt als wie ze geeft zich betekenisvol voelt. De Amerikaanse filosoof John Dewey schreef over de onuitputtelijke groei die een mens kan doormaken. Dat je als mens kunt blijven groeien, los van je kapitaal, is de basis van alles. Net dat maakt de zorg tot vruchtbaar terrein: het is bij uitstek de plek waar die menselijke groei nog telt.”

Waarom benadruk je de verantwoordelijkheid van de sector?

“Omdat ik niet geloof dat de oplossing van de politiek zal komen. De oplossing komt van de ouderenzorg zelf, van de medewerkers en de ouderen, ondersteund door de politiek. Daar hoort een moeilijke boodschap bij: niemand komt je redden. Je moet je afvragen wat jij kan doen, welke meerwaarde jij kan creëren.”

Waarom breng je die boodschap ook op een podium?

“Vroeger dacht ik dat mensen vooral informatie nodig hadden. Ik schreef teksten van tientallen pagina’s. Niemand reageerde. Toen begreep ik dat mensen meestal wel weten wat ze zouden moeten doen, maar dat ze geen kracht hebben of te veel onmacht ervaren. Dat inzicht breng ik op een podium. De bedoeling is dat mensen zich herkennen en heel concrete handvatten meekrijgen. Waar loop ik tegenaan, herken ik dat in mijn team, en wat kan ik er morgen aan doen?”

 

>> Candice De Windt & Simon Godecharle, Wat als jij morgen zorg nodig hebt? 7 mythes die ouderenzorg ondermijnen, en hoe we het verschil kunnen maken, LannooCampus, 2026, 200 p. ISBN 978 90 599 6284 2 | € 29,99

 

>> Meer info over de show Vonk vind je op simongodecharle.be