De moed om te weten
Seksueel geweld is overal — en toch willen we het liever niet weten. Dat maatschappelijke feit is lastig om te bevatten, vertelt psycholoog Dries Dulsster. Hij pleit ervoor om niet te moraliseren, maar om het patroon van geweld zichtbaar te maken. Door cijfers en verhalen naast elkaar te leggen, kunnen we er iets aan doen.
Dries Dulsster is lector en stagecoördinator bij de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie (UGent). Hij doceert Genderstudies en Seksuologie. Hij is ook verbonden als docent aan de opleiding Creatieve Therapie van de Artevelde Hogeschool en heeft een eigen therapeutische praktijk. Zijn boek Wat we niet willen weten over seksueel geweld ontleedt hardnekkige verkrachtingsmythes. Dulsster herdenkt het concept consent en houdt een uitgesproken pleidooi voor spreken, luisteren en verantwoordelijkheid nemen.
Je begint je boek met een indrukwekkende reeks cijfers. Ze zijn ook spectaculair omdat bijna niemand ze kent.
Dries Dulsster: “Net dat idee vind ik zo opvallend, want de cijfers zijn al lang gekend. Het gaat volgens mij veel meer om een ontwijken. Een niet willen weten van de cijfers. Wanneer de cijfers dan opnieuw worden aangehaald is er telkens opnieuw verbijstering. Uit de UN-MENAMAIS-studie (2021) blijkt dat 64% van de Belgen tussen 16 en 69 jaar ooit in hun leven seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft meegemaakt. Dat cijfer is niet gelijk verdeeld. 80% van de meisjes en vrouwen rapporteerden minstens één dergelijke ervaring, tegenover 50% jongens en mannen. Toch leeft de mythe dat het niet vaak voorkomt en dat veel aangiftes vals zijn, dat mensen daarover liegen.”
“Een ander onthutsend getal waar we liever niets van weten is dat uit het onderzoek van Diana Scully, die Understanding Sexual Violence schreef. Eén op de drie mannen, die anoniem antwoorden, geven aan dat ze er geen probleem mee hebben om te verkrachten, zolang ze er maar mee wegkomen. Ze zeggen dat natuurlijk niet letterlijk. Als je mannen vraagt of ze zouden verkrachten, dan zeggen ze allemaal nee. Maar als je de situatie anders omschrijft — stel dat een vrouw tijdens seks aangeeft dat ze wil stoppen, zou je doorgaan? — dan krijg je dus veel ja’s. Het is een pijnlijk getal.”
De seksuele revolutie ligt ruim een halve eeuw achter ons. Onze samenleving heeft geleerd om openlijk over seks te praten. En toch zijn er nieuwe taboes.
“Ik weet niet of we hebben geleerd om openlijk over seks te praten. Wat ik vooral aanhaal is dat in ieder geval het praten over consent, over het stellen van grenzen, te vaak als sfeerbederf wordt ervaren, als killjoy-gedrag. De cijfers die aantonen hoe massaal seksueel geweld voorkomt, stoten op een diepe weerstand. We zijn telkens opnieuw verbijsterd. Vervolgens doen we door en vergeten we het. Tot het volgende schandaal, de volgende zaak. Dat patroon probeer ik met dit boek te doorbreken. Het gaat er niet om dat we niet weten dat seksueel geweld bestaat. Het is dat we het niet willen weten.”
Je geeft les over dit thema en je hebt een eigen therapeutische praktijk. Hoe heeft die praktijk je wetenschappelijke kennis aangevuld?
“Enorm. Wetenschap geeft je kaders, maar de praktijk geeft je de verhalen van mensen. En mensen zijn veel complexer dan statistieken. Het meest vormende is niet de theorie, het is het luisteren. Naar studenten die na de les komen praten. Naar patiënten die een situatie beschrijven waar ze zelf geen woorden voor hebben. Naar collega’s.”
“Als je een boek schrijft, dan komen mensen met je praten. Ook nu krijg ik getuigenissen te horen. Seksueel geweld is geen uitzondering. Het gebeurt op zoveel plaatsen, elke dag. Het is vanuit mijn therapeutische praktijk dat ik ook de noodzaak heb gevoeld om rond dit thema te beginnen werken. Je kan dan wel artikels lezen, maar sinds mijn eerste ervaringen in het klinische veld ben ik getuige van de brede verspreiding van seksueel geweld en van de diepe impact op mensen. Iemand die getuigt, is iets anders dan een statistiek.”
“Klinisch psychologen, gebonden aan het beroepsgeheim, krijgen te horen wat nergens anders uitgesproken is geweest. We krijgen niet alleen de feiten te horen, maar ook hoe de omgeving vaak niets weet of op ongepaste wijze reageert wanneer iemand eindelijk de stilte doorbreekt. Voor mij schept die positie een verantwoordelijkheid. Wie dagelijks luistert naar deze verhalen, weet hoe structureel seksueel geweld is. Die kennis mag niet binnenskamers blijven. Dat publiek benoemen maakt iets zichtbaar wat de samenleving liever niet hoort.”
De MeToo-beweging was revolutionair, maar kende ook beperkingen. Wat heeft die beweging voor ons betekend?
“MeToo ging over grote namen. Die werden van hun voetstuk gestoten. Er kwamen ophefmakende processen van. Maar het alledaagse geweld wordt grotendeels genegeerd. De reacties op de uitspraken van Bart Schols hebben dat recent opnieuw duidelijk gemaakt. (Schols trok tijdens een aflevering van De Afspraak de stelling van Soundos El Ahmadi in twijfel dat vrouwen zich onveilig voelen in de publieke ruimte, nvdr.) Dezelfde dag opende iemand een site waarop men getuigenissen kon achterlaten. ’s Avonds waren er al ruim 8.000, de dag erna 20.000. Een soort mini-MeToo. Maar ook hier geldt: we zien het, we schrikken ervan en dan doen we door.”
“Ik botste tijdens het schrijven op The Macho Paradox van Jackson Katz, die benadrukt hoe belangrijk het is dat vrouwen de stilte doorbreken. Als vrouwen dat doen, neemt de bewustwording toe en zal men juridisch correcter met die klachten omgaan. Ik gebruikte zijn oproep om de stilte te doorbreken dan ook als besluit van de eerste versie van het boek. Plots zag ik echter de publicatiedatum: 2005. Ik had het boek gelezen alsof het na MeToo geschreven was. Alles waar Katz op hoopte, was intussen ook echt gebeurd, maar het bracht niet echt een maatschappelijke verandering teweeg. Dat heeft mij gedwongen om wat ik had geschreven te herzien en het mechanisme van ‘we willen het niet weten’ voorop te plaatsen.”
“Vorig jaar verscheen het ophefmakende boek Academische gezelligheid van Hilde van Liefferinge over grensoverschrijdend gedrag in de academische wereld. Het maakte een diepe indruk op me, maar ik was vooral getroffen door de open brief van de collega’s van de geportretteerde docent. Ze schreven: zo kennen wij hem niet. Ik vond het vreemd om zo makkelijk voorbij te gaan aan het feit dat iemand twee gezichten kan hebben. Zoiets willen we duidelijk niet weten, want als je dat feit erkent, dan moet je alles herbekijken. Alle anekdotes. Alle herinneringen. Dat is psychisch zwaar. Dus kiezen mensen ervoor om het niet te willen weten.”
Is seksueel geweld een symptoom van onze cultuur of heeft het ook een evolutionaire oorzaak?
“Er zijn evolutionair psychologen die opperen dat verkrachting evolutionair bepaald zou zijn, dat mannen die verkrachten hun genen beter verspreiden. Die theorie is ondertussen grondig weerlegd.”
“Het is een gevaarlijke redenering. Ze suggereert dat seksueel geweld onvermijdelijk is, dat mannen nu eenmaal zo zijn. En zo ben je terug bij de klassieke verkrachtingsmythes: hij kon er niets aan doen. Dit komt terug in andere theorieën die beweren dat het een symptoom van een ziekte is, een onbeheersbare impuls, of iets dat wordt uitgelokt. Het zijn theorieën van mannen die mannen ontslaan van hun verantwoordelijkheid. Zo gaan we eigenlijk voorbij aan de verkrachtingscultuur waarin we leven. Seksueel geweld houdt verband met culturele attitudes, de machtsverhouding tussen vrouwen en mannen, de sociale en economische status van vrouwen ten opzichte van mannen in hun groep, en andere vormen van geweld in de samenleving. Cultuur bepaalt voor een groot deel hoe mensen met macht en verlangen omgaan. En cultuur is maakbaar. De hoop in dit boek is dat je die cultuur kan ombuigen.”
Je beschrijft hoe lastig het is om consent samen te vatten in een protocol of een tienpuntenplan. Waar zit voor jou de kern van het probleem?
“We reduceren consent te veel tot een sexual consent form, tot een contract waarin alles is toegestaan zodra er ‘ja’ is gezegd. Op die manier denken over consent speelt handig in op de misvatting van ‘verkeerde signalen’. Dan wordt er gesproken van een grijze zone en zogenaamde communicatieproblemen. We horen suggesties dat iemand ‘meegesleept werd’ door het moment, dat hij signalen ‘verkeerd had geïnterpreteerd’, dat het ‘om een misverstand ging’.”
“Dat gevaar zit ook in de slogan ’nee is nee, enkel ja is oké’. Op zich is die essentieel, maar hij gaat wel voorbij aan enkele belangrijke aspecten die eigen zijn aan consent. ‘Ja’ kan dubbelzinnig of geforceerd zijn. Consent is een ‘ja’ op voorwaarde dat een ‘nee’ mogelijk is. Als je baas je een opdracht geeft, en je kan op dat moment niet anders dan ermee instemmen, dan is er in die machtsrelatie geen sprake van consent. Dat geldt ook voor seksuele relaties.”
“Ik zou van ’nee is nee, enkel ja is oké’ een veel langere slogan maken. De woorden ‘misschien’ en ‘zoektocht’ moeten erbij. Ook nog ‘doe voorzichtig’. Het is niet zo dat na een ja alles is toegestaan.”
“Eigenlijk bestaat er niet zoiets als affirmatieve consent. We weten nooit echt waar we ‘ja’ op zeggen. Niemand weet wat er na die ‘ja’ komt. Daarom is het zo belangrijk aandachtig te zijn voor signalen van anderen. Plots kan er toch een aarzeling komen, omdat iemand te agressief was, het niet zo leuk blijkt als verwacht, we plots herinneringen hebben die ons overspoelen. Dan is de ‘ja’ terug een ‘nee’ geworden.”
Jij pleit voor verandering. Hoe wil je die realiseren? Wil je seksueel geweld ook juridisch strakker benaderen?
“Ik heb sterke twijfels bij die interne procedures. Vaak durf ik dan ook stellen: als je grensoverschrijdend gedrag meemaakt, ga naar de politie. Niet naar de personeelsdienst, niet naar de vertrouwenspersoon. HR is er voor het personeel, maar ook voor het bedrijf. Het gaat om strafbare feiten. Ik ken zoveel schrijnende getuigenissen die duidelijk maken dat je via die weg doorgaans weinig bereikt. De betrokkene blijft op post, maakt nog promotie, of wordt netjes naar een andere afdeling verplaatst — ‘passing the harrasser’ noemen ze dat.”
“De verandering die ik voorstel is dat we anders beginnen te spreken over seksueel geweld. Wanneer iemand de stilte doorbreekt over seksueel geweld, is het niet nuttig te reageren met vragen als: ‘Wat had je aan? Ben je wel zeker?’ Dat duwt overlevers terug de stilte in. Daar moeten we toch echt mee stoppen.”
Je beschrijft de pornoficatie van de samenleving als een ingrijpende maatschappelijke ontwikkeling. Zijn we ons daar voldoende van bewust?
“Voor mij gaat het bij die pornoficatie niet om de beelden zelf, al valt daar veel over te zeggen. Het probleem is de taal achter de beelden. Ik heb zelf lang gedacht dat pornografie gewoon mensen toont die seks hebben. Ja, maar pornografie is bedacht en uitgeschreven. Het bestaat uit scripts. Er staat geschreven hoe de ‘nee’ genegeerd wordt, dat de man insisteert, dat de vrouw het gewillig ondergaat. Het zijn die neergeschreven ideeën die worden verbeeld.”
“We staan er niet bij stil dat een site als Pornhub een symbolisch systeem is. De titels van de films sturen het verlangen, de categorieën schrijven in scripts voor wat seks is, wie de macht heeft, wat we als normaal beschouwen. Als je mannen vraagt of ze op die titels letten, zeggen ze van niet. Dat geloof ik niet. Gebruikers zoeken nu eenmaal op die titels. Die zinnen zijn ideeën, meningen, voorkeuren. Ze blijven hangen. Gebruikers beginnen er na verloop van tijd ook zo over te denken, zonder dat ze het merken.”
“Pornosites worden aangedreven door algoritmes, net als sociale media. Als je op Instagram dezelfde beelden en filmpjes zoekt, dan ervaar je het 'rabbit hole'-effect. Je wordt in een tunnel gezogen. Dat gebeurt op Instagram en andere socials ook met seksueel en seksistisch materiaal. Als ik dat vertel aan vrienden met kinderen, dan kijken ze me verbijsterd aan. We zijn er ons te weinig van bewust.”
Hoe ga je daarmee om zonder te moraliseren? Moet je meer verbieden of moet je mensen weerbaarder maken?
“Vroege versies van dit boek waren zeker te moralistisch. Ik heb dat aangepast. Ik merkte dat mijn eigen verontwaardiging over het systeem, over hoe we spreken over deze zaken, te nadrukkelijk in de tekst zat. ‘Hoe moet dat nu? Hoe moeten we daarmee omgaan?’ Het was nodig om die toon te temperen. Als je dingen probeert te verbieden, dan worden ze clandestien. Dan kunnen we er niet meer over praten. En dat is het laatste wat ik wil.”
“Een mooie reactie kwam van een lezer die het boek aan tafel besprak met zijn kinderen. Hoe dachten zij erover? Keken zij naar pornografie? Wat vonden ze daar eigenlijk van? Hoe sta je daartegenover? Dat tafelgesprek is de kern van mijn boodschap. Niet het verbod.”
“Dat geldt ook voor sociale media. Ik denk dat mensen, voornamelijk ouders, zich echt niet bewust zijn van wat je daar allemaal te zien kan krijgen. Een verbod lost niets op. Peggy Orenstein, een Amerikaanse journaliste die heel veel met jongeren heeft gesproken over seksuele cultuur, beschrijft hoe ze dat aanpakt met haar eigen kinderen. Als er in de auto muziek speelt en er zitten plotseling seksistische opmerkingen in een nummer, dan zet ze de radio uit. Ze vraagt hoe de kinderen daarover denken. Ze gaat met hen in dialoog. Dat vind ik een mooie aanpak.”
Ook in de zorg zal de impact van seksueel geweld onderschat worden. Hoe verklaar je dat?
“Ik was verrast, en soms echt geschokt, door de verkrachtingsmythes die leven bij hulpverleners. In de psychiatrie, in de centra voor geestelijke gezondheidszorg. Secundaire victimisatie loert altijd om de hoek. De reactie op het onthullen van seksueel geweld is essentieel. Iemand ontmoeten die naar je luistert is essentieel. Los van de verkrachtingsmythes is ook het persoonlijke verhaal van de hulpverlener belangrijk. Als hulpverlener is het belangrijk je eigen verhaal doorgewerkt te hebben, opdat je er kan zijn als anderen hun verhaal willen vertellen. Dat werd treffend geïllustreerd door de Amerikaanse burgerrechtenactiviste Tarana Burke, die aan de basis ligt van de MeToo-beweging. Zo beschrijft ze in haar boek Unbound hoe ze ooit compleet in paniek schoot toen een kind bij haar de stilte doorbrak en begon te vertellen. Ze wimpelde het kind af. Ze was zelf een overlever van seksueel geweld en kon het verhaal van het kind niet aan.”
“Er zijn jonge psychologen die met mij komen praten en vertellen wat die verhalen soms met hen doet. Het gebeurt dat ze gehuild hebben tijdens een gesprek over misbruik. En dat ze zich voor hun tranen schamen. Terwijl ik denk: dat is menselijk. De vraag is wat je daar dan nadien mee doet. Zorgen voor jezelf als hulpverlener is geen zwakte. Het is een voorwaarde om dat cruciaal moment — wanneer iemand de stilte doorbreekt — goed te kunnen opvangen.”
“En dan is er de juridische kant van de zaak. In getuigenissen over hoe politieagenten reageren bij aangifte, blijkt heel duidelijk dat een correcte reactie zeer belangrijk is. Secundaire victimisatie is echt een groot probleem. Verklaringen worden al snel in twijfel getrokken wanneer ze niet voldoen aan de stereotype omschrijving van wat verkrachting is: een vrouw die van haar fiets wordt getrokken in een donkere steeg. Ruim 80% van de gevallen ziet er totaal anders uit. Een vriendje dat blijft slapen. Iemand die zegt: je bent te dronken om naar huis te gaan, blijf bij mij op kot. Dat zijn de verhalen die ik hoor in mijn praktijk. En die worden niet altijd herkend als verkrachting.”
Wat is voor jou de belangrijkste hefboom voor verandering?
“We moeten er iets van willen weten. Dat zal helpen op individueel niveau. De reactie van de omgeving bepaalt hoe diep de schade gaat. Niet het incident zelf. Dat is wat ik in mijn klinische praktijk zie. De feiten zijn vaak ernstig, maar wat mensen het meest bezighoudt, is de reactie van de omgeving. Is er geluisterd? Is de klacht ernstig genomen? Of werd de overlever afgewimpeld? Pas als we er iets van willen weten kan er ook maatschappelijk iets veranderen. Dan kunnen we over misbruik praten en nadenken hoe we het anders kunnen doen. Blijven hangen in de verbijstering brengt ons nergens.”
“Een collega stuurde mij: ’Sigmund Freud stelde dat de ongebreidelde vrijheid geen cultuurproduct is. Cultuur begint wanneer de drift wordt ingeperkt.’ Dat lijkt op het eerste gezicht conservatief, maar het omgekeerde is waar. Die inperking is de voorwaarde voor een echte sociale band. En dat is eigenlijk de kernboodschap van mijn boek: leer spreken, leer luisteren, leer elkaar ernstig nemen. Dat vraagt moed. Van iedereen.”
Dries Dulsster, Wat we niet willen weten over seksueel geweld, Uitgeverij Lannoo Campus, 2026, 248 p. ISBN 978 90 599