welzijn & zorg

Zacht is het nieuwe sterk

Waarom de samenleving meer zachtheid verdient (en de zorg meer mannen)
18.03.2026
Foto's
Jan Locus

De welzijnszorg is een vervrouwelijkte sector met een personeelstekort. Psychologe Joni Delanoeije pleit voor meer diversiteit door mannen zachtere rolmodellen te geven. Als we zachtere beroepen meer waarderen, wordt het voor mannen makkelijker om aan de slag gaan in de zorg.

Joni Delanoeije is postdoctoraal onderzoeker (FWO) en docent aan de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen van de KU Leuven. Ze is psychologe en doctor in de bedrijfseconomie. Delanoeije onderzoekt de manier waarop diversiteit, digitalisering en genderverhoudingen op het werk ons welzijn bepalen. Ze schreef onlangs een opmerkelijk opiniestuk waarin ze stelde dat zorgzaamheid en mannelijkheid elkaar niet uitsluiten. ‘Echt sterk zijn begint met zacht zijn.’

Welzijn is een zachte sector die haast vanzelfsprekend gericht is op nabijheid en aandacht hebben voor elkaar. Waarom is gender dan een blinde vlek?

Joeri Delanoeije: “Het is een vervrouwelijkte sector. Ruim 80% van de banen wordt ingevuld door vrouwen. We denken soms dat er tussen vrouwen en mannen geen verschil meer bestaat. Terwijl je ook in de zorgsector grote verschillen ziet die wijzen op systemische ongelijkheid. Vrouwen worden inderdaad vaak naar meer uitvoerende zorgjobs geleid. Bovendien stromen er naar verhouding minder vrouwen met competente leiderschapskwaliteiten door naar de hoogste functies. Daardoor moeten vrouwen hun zorgkwaliteiten extra gebruiken als compensatie voor de functies waar ze minder makkelijk toegang tot krijgen.”

In hoeverre wijkt de zorgsector daarmee af van de rest van de samenleving?

“Niet. Een van de problemen is dat we sectoren apart bekijken om uit te zoeken wat er bijzonder aan hen is. Maar genderongelijkheid is een algemeen maatschappelijk en sociaal fenomeen dat zich in verscheidene sectoren soms op een totaal tegenovergestelde manier manifesteert.”

“De zorgsector wordt vanzelfsprekend als zacht ervaren, een eigenschap die maatschappelijk helaas minder wordt gewaardeerd. Andere sectoren zijn dan weer vermannelijkt, zoals ICT. Ze komen harder over. Het sociaal prestige dat we toekennen aan werk is maatschappelijk bepaald. Dit regelt ook de waarde en de erkenning van sectoren en beïnvloedt uiteraard de loopbaankeuze van mensen. Ook het onderwijs wordt beschouwd als een zachte sector. Ongelijkheidsexpert Richard Reeves (auteur van Over jongens en mannen. Waarom de moderne man het moeilijk heeft, waarom dit ertoe doet en wat we eraan kunnen doen, nvdr.) spreekt over de tegenstelling tussen HEAL (health, education, administration, literacy, nvdr.) en STEM (science, technology, engineering, math, nvdr.). Hij kaart die structurele ‘onderbemanning’ van mannen in de zorg en het onderwijs aan.”

“Zelfs mannen die in de zorg willen stappen, een zachte identiteit hebben of er een willen ontwikkelen, moeten opboksen tegen het stigma dat zorg niet prestigieus is. Zij lopen vaak, soms nog sterker dan vrouwen, tegen drempels aan als ze toch voor zorg kiezen, zoals het opnemen van ouderschapsverlof.”

Zie je verandering in die tendens? De zorg is vervrouwelijkt en kampt tegelijkertijd met een hardnekkig personeelstekort.

“Die twee aspecten hebben rechtstreeks met elkaar te maken. De tendens die ik beschrijf, bestaat al heel lang. We zien wel een verschuiving. Bij de jongere generaties ligt de focus meer op het ontdekken van zichzelf, maar onze samenleving blijft bijzonder resultaatgericht. Ons onderwijs wil scoren. Jongeren leren dat vooral meetbare resultaten er toe doen als je waardering wil krijgen in onze samenleving – zeker als je een man bent.”

“Die context leidt mee tot een tekort aan werkkrachten voor de zorg. Een aantal mensen heeft wellicht onvoldoende het gevoel dat ze er waardering zullen vinden. Mannen hebben bovendien vaak overwegend competitieve, hardere leiders als sociaal rolmodel. Die eigenschappen wordt maatschappelijk verbonden met goed leiderschap. Dat leidt tot een vicieuze cirkel waarbij het idee in stand gehouden wordt dat zorgzaamheid en sterk leiderschap elkaar uitsluiten.”

“Je kan en moet sensibiliseringscampagnes voeren om vrouwen en mannen warm te maken voor een zorgberoep. Het is belangrijk dat campagnes geen mannen aantrekken door harde aspecten en status in de verf te zetten. Het omgekeerde is waar. We moeten maatschappelijke zorg de nodige waardering en status toekennen. De sleutel ligt volgens mij in het prestatiegerichte onderwijssysteem dat gericht is op prestige en competitiviteit. Geneeskunde studeren levert bijvoorbeeld prestige op. Voor iemand die  verpleegkundige studeert, ligt de waardering toch lager. Jongeren pikken die waardeoordelen op.”

Er is best wat onderzoek verricht naar negatieve beeldvorming bij mannen. De reeks Adolescence heeft heel wat mensen de ogen geopend over negatieve rolmodellen bij jongens. Wat is de impact van die worsteling van jongeren?

“We zitten in een tijd waarin de man-vrouwverhoudingen op de helling staan. Ze zijn niet meer zo rechtlijnig zoals vroeger. Door de negatieve beeldvorming rond het opnemen van zorgtaken of zacht leiderschap voelen sommige mannen zich nog meer in de hoek gedreven. Ze zien weinig alternatieven. Zachter zijn ervaren ze niet altijd als een optie, omdat de waardering daarvoor maatschappelijk weinig wordt aangemoedigd. Het ontwikkelen van een zachte identiteit is niet vanzelfsprekend. Daardoor kan er tijdens de tienerjarigen een overmatige focus op ‘sterk zijn’ ontstaan.”

“Adolescence heeft ook een gevoelige snaar geraakt omdat de reeks de gevolgen van sociale media toont. Beleidsmakers en andere volwassenen onderschatten de impact van de hyperkapitalistische digitale wereld waarin jongeren opgroeien. De manier waarop jongeren gesocialiseerd worden is een blauwdruk voor hun verdere leven.”

Hoe zou een mannelijk rolmodel wel positief kunnen functioneren?

“Er zijn weinig mannen in leiderschapsposities die wel zacht zijn, en uitdrukkelijk zorgzaamheid en samenwerking verkiezen. Ze vormen helaas een minderheid. We zien dat ook in studies over managementposities, zowel in de zorgsector als in andere sectoren.”

“Vrouwen in topfuncties zijn vaak veel masculiener of harder. Ze ervaren dit als de manier om hun machtsposities te behouden. Niet verrassend, gezien studies helaas aantonen dat er voordelen bestaan over hun leiderschapscompetenties als ze zich zorgzaam gedragen. Er zijn lokale, culturele verschillen. In Scandinavische landen wordt er bijvoorbeeld meer belang gehecht aan een gelijke verdeling van de huiselijke taken wanneer koppels kinderen krijgen. Er zijn meer financiële incentives dan bij ons om het betaalde en onbetaalde werk evenwaardig te verdelen. Als vaders en (mee)moeders even lang ouderschapsverlof opnemen, vergroot de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de werkvloer. Uiteindelijk hebben zo’n maatregelen ook een impact op wie er in de zorgsector gaat werken.”

Is dat volgens jou een blinde vlek bij ons?

“Ik denk dat we ons wel degelijk bewust zijn van het probleem, maar dat beleid op basis van zachte waarden politiek als niet populair wordt gezien. Hard zijn brengt meer op, zeker op korte termijn.”

Hoe krijgen we meer mannen aan het werk in de zorg?

“We hebben inderdaad meer mannen nodig in zachte beroepen, zoals de zorg. Ze verdienen ook meer waardering voor hun beroepskeuze. Als we zachte beroepen zullen herwaarderen, zullen we stilaan meer gelijkheid bereiken.”

“Zachte opleidingen, zoals psychologie, worden vandaag gepromoot met ‘harde’ argumenten. Je kan er ook mee winnen. Er is veel wetenschap. Het lijkt op topsport. Op die manier versterken we het stereotype: hardheid geeft status, zachtheid niet. Dat sluit aan bij de conclusies van een recent Europees onderzoek naar de effectiviteit van STEM-opleidingen, geschreven door Kristof De Witte (KU Leuven). Jongeren, en zeker jongens, kiezen een opleiding op basis van prestige.”

Naast prestige is er ook de praktische haalbaarheid: de combinatie van werk en privé. Als je bijvoorbeeld kinderen of andere zorgverantwoordelijkheden hebt, dan werkt een lastig uurrooster alleen als er voldoende opvang is.

“Op dat punt komen heel wat problemen samen. Onevenwicht in opleidingen en beroepssectoren. Het glazen plafond dat vrouwen ervaren. Man-vrouwrelaties. Zelfs in onze maatschappij, die zich als vooruitstrevend en egalitair beschouwt, is het nog steeds zo dat vrouwen in een relatie gemiddeld meer zorgtaken op zich nemen dan mannen. De relationele en emotionele vermogens van vrouwen geraken daardoor nog beter ontwikkeld, en worden nog sneller aangewend. Dat onevenwicht is zeker ook aanwezig in koppels met kinderen. Vrouwen ervaren een dubbele achterstelling. Ze hebben vaak lastige uurroosters, zoals in zorgberoepen, en ze nemen thuis meer zorgtaken op zich.”

“En dat glazen plafond voor vrouwen is er ook nog steeds. Er zijn structurele vooroordelen over wat we als leiderschapskwaliteiten zien: individualisme, competitief en dominant gedrag. Wanneer vrouwen zich niet zo gedragen, dan denken we dat ze geen goede leiders zijn. Onderschat ook het belang van informele, sociale netwerken niet. Die zijn vaak gevuld met mannen die ’s avonds kunnen doorwerken, terwijl de partner op de kinderen let. Vrouwen – en bij uitbreiding ook mannen die zorg op zich nemen – hebben tot slot een dubbel verwachtingspatroon: ze moeten zich in hun werk harder bewijzen en hebben meer zorgtaken.”

Onderzoek bevestigt de intuïtie dat de verhouding tussen werk en privé een grote impact heeft op onze levenstevredenheid. Als die verhouding niet goed zit, zijn beide partners toch ongelukkig?

“In een koppel is je levenstevredenheid verweven met die van je partner. Maar vergis je niet, als je naar de zorg kijkt dan ervaren mannen in zorgberoepen ook een onevenwicht tussen werk en andere levensdomeinen. Ze boksen op tegen vooroordelen. Ze worden als atypisch bekeken, wat een negatieve impact op hun zelfbeeld kan hebben. Dat houdt hen nog meer tegen om in zorgberoepen te stappen. Tel daar het harde ideaalbeeld van de man bij, iemand die vooral hard werkt en lange kantoordagen klopt, en je krijgt een voorspelling die zichzelf waarmaakt. Dan worden zorgtaken en -beroepen meer door vrouwen dan mannen verricht.”

“Vrouwen worden als groep systematisch ongelijk behandeld. Op individueel niveau hebben de zorgende, zachte mannen het niet onder de markt. We moeten ons uiteraard richten op vrouwen, maar ook op wat volgens de huidige normen atypische mannen zijn – die krijgen het ook hard te verduren.”

We focussen op de arbeidsmarkt op individuele uitkomsten en persoonlijke carrières, maar dat plaatje wordt sterk bepaald door de verwachtingen van anderen. Onderschatten we die druk van rolmodellen?

“Ja, we hebben weinig aandacht voor de manier waarop we als samenleving onze kinderen socialiseren met die verwachtingen. We leren hen om zich te spiegelen aan rolmodellen. Vanuit de gezondheidspsychologie weten we dat dit op de lange duur problemen kan opleveren. Mensen beseffen dan op latere leeftijd dat ze zich niet terugvinden in die verwachtingen: de klassieke midlifecrisis. Mannen hebben op dat punt een nadeel, ze hebben doorgaans minder emotionele draagkracht ontwikkeld. Ze kunnen er lastiger over spreken met anderen.”

“Succes wordt in onze samenleving sterk geïndividualiseerd. Het is zogezegd je eigen verdienste, terwijl het in werkelijkheid mee te danken is aan een team, een groep en een ruimer ondersteunend systeem. Bij een succesvol iemand zullen we ons minder snel afvragen hoe hij of zij de thuissituatie regelt. Wie laat het huishouden draaien? Je kan pas floreren als je gedragen wordt door familie, vrienden, significant others. Dat zijn aspecten waarvoor beleidsmakers en economen minder oog hebben.”

Hoe kijk je als psycholoog naar de impact van sociale media?

“Dat is momenteel het kritieke punt: ons schermgebruik. Digitale connectiviteit bij jongeren toont problematische ontwikkelingen. Generatieve AI scherpt dat nog meer aan. Kwetsbare mensen hebben het vaak moeilijk om contact met anderen te leggen. Ze glijden af naar artificiële relaties, die zijn minder complex. De meta-analyse van de onderzoeken hierrond geeft aan dat de gevaren voor de geestelijke gezondheid van die groepen groot zijn. Vooral bij mensen, en dus ook jongeren, die niet meer naar echt, levend sociaal contact op zoek zijn.”

“Mensen hebben er nood aan om sociaal geïntegreerd te zijn in een groep. Dit brokkelt af. Het sanctioneren of stigmatiseren van wie afhaakt, maakt het probleem groter. Uiteindelijk neemt daardoor ook het fysieke en mentale onwelzijn toe.”

Hebben we dat probleem duidelijk genoeg in beeld?

“Het gaat erom hoe je resultaten meet en op welk resultaat je focust. Onze achilleshiel is de manier waarop we vandaag overdreven belang hechten aan het cijfermatige meten en evalueren in gezondheidszorg. We zoeken efficiëntie, bekijken cijfers als geïsoleerde feiten en willen beleid vooral evidence based maken. Het probleem is dat we cijfers vaak te nauw bekijken. We hebben te weinig oog voor zaken die moeilijker kwantitatief kunnen worden bestudeerd. We hebben een ‘overfascinatie’ voor cijfers. Als je naar individuele verhalen luistert, dan krijg je vaak een heel ander, genuanceerd beeld. Gelukkig is er steeds meer aandacht voor gevalsstudies en praktijkoverbruggend onderzoek.”

Hoe groot zijn de verschillen tussen jongens en meisjes?

“Bij meisjes wordt sociaal en relationeel gedrag meer beloond. Ze willen verbinding en lopen wat minder risico op vereenzaming. Bij jongens loopt het omgekeerd. Ze zijn minder snel geneigd om verbinding te zoeken. Ze vrezen harder benadeeld te worden als ze dat wel doen. Hierdoor gaan ze sterker mee in sommige aspecten van die digitale wereld. Meisjes focussen zich op hun lichaam en vergelijken zich op sociale media dan weer met de rest van de wereld.”

Wat moet je doen om in zo’n sterk veranderende context welzijn te bevorderen?

“Ik ga er uiteraard mee akkoord dat je moet weten hoe maatregelen functioneren. Maar de manier waarop we evidence based in kaart brengen volstaat niet. ‘Meten is weten’ is een uitspraak die ons de illusie van controle geeft. Interventies zijn vaak geïsoleerd en onvoldoende gedragen. We moeten ook afstand durven nemen van dat efficiëntieperspectief. Helaas is er momenteel vooral financiering voor onderzoek dat cijfermatige beloftes kan maken. Maar de realiteit is niet altijd zo rechtlijnig. In ieder geval vraagt welzijn vraagt om een gedragenheid, om een zachtheid, om het zich relationeel verbinden met anderen. We zouden van jongs af aan moeten inzetten op interpersoonlijke vaardigheden bij jongeren. Hoe kan je met anderen in contact blijven?’

“Een vergelijkbaar punt zie je opduiken in de manier waarop we als samenleving werk organiseren. Tweeverdieners zijn laat thuis en laten hun kinderen soms al van kleinsaf lang in de opvang. Er zijn risico’s dat kinderen responsieve ouder- of andere zorgfiguren missen. En zo kom je weer uit bij het tekort aan goed zorgpersoneel. Zowel in werk als onderwijs moet je volgens mij ook het relationele en interpersoonlijke benadrukken. Op die manier kan je werken aan belangrijke oorzaken van veelvoorkomende mentale problemen. Vandaag is het beleid gericht op het aanpakken van gevolgen en het zoeken van oplossingen. Het is misschien wenselijk om ook te zoeken naar manieren om de kern van de familie, of de ruimere zorgstructuur voor gezinnen, te versterken.”

Hoe kijkt u dan aan tegen de nadruk die gelegd wordt op het verhogen van de werkzaamheidsgraad?

“Het is uiteraard belangrijk dat het land economisch draait en bij voorkeur sterk staat, om goede investeringen ook in zorg te kunnen doen. Maar we mogen ons niet blind staren op geïsoleerde interventies die gericht zijn op efficiëntie. Uit de psychologie weten we dat er risico’s zijn als kinderen onvoldoende leren om relaties op te bouwen, en als ouders onvoldoende omkadering krijgen om hun kinderen te ondersteunen. Op een gegeven moment betalen mensen hiervoor de prijs. Ze zakken mentaal door het ijs en krijgen een burn-out. Het gaat om die mensen, en ze zijn wellicht met veel. Plots spreekt men van een crisis. En dan zouden we die mensen nog verder moeten stigmatiseren? Het zou goed zijn om de oorzaken aan te pakken. Maar dat vraagt een geïntegreerde langetermijnvisie die niet vanuit repressief beleid of angst vertrekt.”

Wat is de rol van de zorg in die toekomstvisie?

“De zorg is geen toeschouwer, maar heeft een actieve rol en moet mensen houvast bieden. Zowel bij de groep mensen die tijdelijk hulp zoekt als bij kwetsbare mensen die permanente zorg nodig hebben. Het is daarbij belangrijk om te durven vertrekken vanuit de noodzaak aan tijd en menselijkheid, en niet alleen vanuit efficiëntie.”

“Voor de kwetsbare groep die continue zorg behoeft, is er eigenlijk alleen plaats in de officiële zorgsector. Je ziet bijvoorbeeld bij ouderenzorg de zoektocht naar andere manieren om opvang te organiseren: minder marktgericht, meer sociaal en familiaal geïntegreerd. Daar je heb een ruim draagvlak voor nodig. Dat is een uitdaging in ons systeem van steeds meer tweeverdieners- en éénoudergezinnen, met steeds minder tijd en met een overschot aan rollen. Daar liggen volgens mij grote vragen voor de zorgsector. Hoe herteken je de zorgsector in functie van de samenleving?”