gezondheid

Weg met het doktersbriefje

Voor Lode Godderis sluiten werk en langdurige ziekte elkaar niet uit
10.10.2025
Foto's
Jan Locus

Als we ons niet anders organiseren dan wordt het toenemende aantal langdurig zieke mensen onhoudbaar voor ons socialezekerheidsstelsel. De krappe arbeidsmarkt leidt eronder, maar ook de betrokken langdurig zieken zelf. Om meer mensen aan het werk te krijgen, pleit Lode Godderis voor een mentaliteitswijziging: benader langdurig zieken positief.

Lode Godderis is gewoon hoogleraar aan het Centrum voor Omgeving en Gezondheid van KU Leuven en CEO bij de gekende preventiedienst IDEWE. Hij heeft een uitgesproken visie op de interactie tussen gezondheid en werk. We moeten volgens hem vooral kijken naar wat medewerkers tijdens of na hun ziekte aankunnen. Nog belangrijker is dat we zoveel mogelijk proberen te vermijden dat mensen uitvallen. ‘Return on prevention’ heet dat. Tegelijkertijd benadrukt Godderis de eigen verantwoordelijkheid van de zieke werknemer. “Hoe kunnen we mensen op een zinvolle manier laten deelnemen aan de maatschappij? En wat geven we daar als maatschappij voor terug? Dat is eigenlijk waar we over gaat.”

Uit uw boek Vertrouwen zonder voorschrift spreekt een grote betrokkenheid. Waar komt dat vandaan?

“Ik ben een wetenschapper, maar ik ga niet ontkennen dat ik een mening heb. (lacht) Als arts ben ik heel bewust van wat zorg betekent. Hoe ga je om met mensen die een moeilijke periode meemaken? Hoe ga ik zelf met mensen om? Hoe word ik zelf graag behandeld?”

De manier waarop we over langdurige ziekte praten klopt volgens u niet.

“Het cliché wil dat langdurig zieken profiteurs zijn. Daar zet men fors beleid tegenover. Dat is menselijk. Er is een minderheid die profiteert en die bepaalt zeer sterk ons beeld van de langdurige zieken. We hebben een vertekend beeld van die groep. Zo komen we bij eenvoudige formules uit: strenge controles en sancties. Iemand die hulp nodig heeft, heeft echter vooral vertrouwen nodig, ondersteuning en incentives. Je kunt mensen financieel belonen in plaats van sancties te geven. Dat belonen werkt bij een noodzakelijke gedragsverandering veel beter.”

“Wetenschappelijk bekeken kun je de benadering van langdurig zieken beter anders organiseren. Maar maatschappelijk zijn we getraind om vooral te voorkomen wat we niet willen. Vanaf de eerste dag van de afwezigheid moet je bewijzen dat je ziek bent. Onze aanpak vertrekt vanuit een manifest wantrouwen.”

Voor u heeft doktersbriefje op dat moment geen meerwaarde?

“Inderdaad. Controle staat voorop. We willen zeker weten of je wel recht hebt op wat je krijgt. We zouden beter uitzoeken hoe langdurig zieken toch kunnen participeren en wat we daarvoor nodig hebben. Laat ons daarin investeren. Een minderheid zal misbruik maken van dat systeem. Ik vind dat je de bluts met de beul moet nemen. Maar dat ligt moeilijk. De klemtoon op streng optreden blijkt een hardnekkige weeffout te zijn in de benadering van langdurig zieke mensen.”

U legt veel nadruk op het maatschappelijke verwachtingspatroon rond langdurig zieken. Dat is verstard. Hoe verander je dat?

“We moeten lokaal werken. Brussel is te ver af. Daarom geloof ik heel sterk in de verbinding tussen al wat er in de eerstelijnszorg gebeurt. Ik zie dat er een grote kloof bestaat tussen de curatieve sector, die bepaalt of iemand kan gaan werken, en alle actoren die bezig zijn met mensen weer aan het werk te krijgen. Die twee groepen kennen en vinden elkaar niet. Die kloof moeten we dichten.”

“Participeren is voor mij een gezondheidsdoelstelling. En dus ook een gezondheidszorgdoelstelling. Ik wil dat de inbreng van de curatieve sector niet stopt na de behandeling. Ik neem iemand met kanker als voorbeeld. De kanker wordt behandeld en daarna is de job van de artsen gedaan. Ik bekijk dit niet als een kankerpatiënt, maar als een persoon met een aandoening. Die persoon moeten we helpen, het is iemand met zorgbehoeften. Hij of zij is ouder, familielid of vriend, en wil in die hoedanigheid kunnen bijdragen. Dat is voor mij een gezondheidszorgdoelstelling. En daar kunnen we ook op budgetteren. Want mensen luisteren goed naar centen. Je kan ze financiële incentives geven. We moeten van de terugkeer naar werk een onderdeel maken van het zorgtraject. Dan kun je mensen ook koppelen aan de juiste actor die zich met die terugkeer bezighoudt.”

Dat gebeurt vandaag toch al?

“Alle actoren richten zich min of meer op dezelfde personen: mensen die willen terugkeren, maar niet weten hoe. Dat is de makkelijkste groep. Je bereikt ze makkelijk en je hebt er altijd succes mee. Maar er is ook een grote groep mensen die we niet bereiken. Ons systeem is zo complex dat wie moet doorverwijzen vaak niet weet naar wie: een arbeidsarts, de mutualiteit, de VDAB? De zieke zelf staat zwak en kan het wellicht ook niet uitvlooien. Wat dan?”

“We moeten ons systeem herorganiseren. We mogen niet wachten tot de kritische grens van twaalf weken ziekte. Samenwerken in de eerste lijn is dus belangrijk. Daar kan je veel. Als lokale mensen elkaar kennen, dan kunnen ze elkaar goed helpen en naar elkaar doorwijzen. Vervolgens moeten we die samenwerking beleidsmatig organiseren. Daarvoor is er een grote hervorming nodig. We moeten bereiken dat mensen kunnen participeren, betaald of niet betaald.”

Waar begint de terugkeer naar werk als gezondheidszorgdoelstelling? Bij de arts of bij de werkgever?

“Het cruciale punt is preventie op het werk. Heel duidelijk. Dat moet meer gewicht krijgen. Vandaag worden er beslissingen genomen op het moment dat iemand met een probleem naar de arts gaat. Voor mij zit het ziektebriefje in de weg.”

“Mijn pleidooi is om je niet ziek te melden met een ziektebrief, maar om rechtstreeks contact met je leidinggevende te hebben. We houden contact en we dragen zorg voor elkaar. Dat moet je vooraf afspreken. In een zorgende organisatie dragen collega's en leidinggevenden zorg voor de persoon die het moeilijk heeft. Maar iemand die het moeilijk heeft, kan ook zorg dragen voor de collega's. Ik zet daar een vorm van wederkerigheid in. Door contact te houden kan iemand die ziek thuis zit ook mee nadenken hoe zijn collega’s zich best organiseren tijdens zijn afwezigheid. Dat zijn gesprekken die eigenlijk nooit plaatsvinden. We weten niet goed of we de zieke wel dingen mogen vragen? Mogen we wel contact houden?”

Heeft dat met onze cultuur te maken? Onze werkcultuur is en blijft hiërarchisch opgebouwd.

“In Nederland zit het heel anders in elkaar. Daar hebben ze platte organisaties. We zijn een beetje paternalistisch. We hebben regeltjes. We weten wat goed is voor een ander. Het paternalisme zit soms ook in de defensieve reflex. We moeten de kwetsbaren beschermen. Ja, maar wacht eens, help je een kwetsbare mens echt door te zeggen dat niemand hem mag aanraken of bellen?”

“Als iemand ernstig ziek is, dan is het niet tof om te bellen. Terwijl dat maakt een wereld van verschil voor die persoon. Eigenlijk moet je ook niet zoveel doen. Tijd nemen en vragen: hoe voel je je?”

U wil de problemen van langdurig zieken minder medicaliseren?

“Voor mij gaat het om de persoon, niet om het medisch probleem. Als we kijken naar het risico op langdurige arbeidsongeschiktheid, dan moeten we eigenlijk maar twee vragen stellen. Hoe schat je zelf je gezondheid in? En hoe schat je je kansen in om terug te keren naar werk?”

“We hebben in ons onderzoek ook medicatie en diagnose opgenomen, maar die bepalen niet alles. Ik moet altijd terugdenken aan een voormalige administratieve medewerker van onze afdeling. Ze had kanker, was terminaal en heeft bijna tot de laatste week van haar leven gewerkt. Zowel voor ons als voor haar zat er wederkerigheid in die situatie. Samen kunnen werken is heel belangrijk. Dit vergt dat je verder kijkt dan de kanker. Je moet kijken naar de mens en afwegen wat er mogelijk is.”

“Artsen, en ik ben er zelf een, denken echter diagnostisch en medisch. We denken in ziektepatronen. Als we participatie willen realiseren, dan moeten we dat moeten loslaten. Zeker bij de huisartsen is dat aan het veranderen en is er meer openheid.”

Een belangrijk deel van de langdurig zieke mensen kampt in toenemende mate met mentale problemen. Hoe moeten we daarmee omgaan? U pleit er eigenlijk ook voor dat we meer leren verdragen als mens.

“Ja, het leven is soms lastig. Zo is dat. Mentaal welzijn is bespreekbaarder geworden. Dat vind ik mooi. De andere kant van de medaille is dat je situaties krijgt waarbij de zieke werknemer aan de leidinggevende schuldig verzuim verwijt. ‘Ik had toch gewaarschuwd dat ik het moeilijk had?’ Bespreekbaarheid betekent ook je eigen verantwoordelijkheid nemen. Het is niet omdat je een probleem hebt gedeeld met je leidinggevende, dat het probleem ook is opgelost. We moeten onze verwachtingen leren formuleren. En we moeten ook leren kijken naar de oorzaken. Is het probleem oplosbaar of kunnen we ermee leren leven? We moeten weg van de bol.com-geneeskunde. Ik heb nu pijn, dus ga ik meteen naar de apotheek om pillen.”

Is dat ook niet de mentaliteit op de arbeidsmarkt? We sturen op rendement, dus iedereen moet 100% in orde zijn.

“Dat zwart-witdenken bestaat. Ik ben ziek, dus kan ik niet werken. 70% zit daar tussenin. Dat hangt af van de persoon, maar ook van de omgeving, van de aard van je werk. Iedereen heeft goede en slechte dagen op het werk. Soms gaat alles vanzelf en ben je vroeger klaar. Op andere momenten loopt het voor geen meter. Tijdens corona hebben we ervaren dat er veel flexibiliteit is als je thuis werkt. Door het gebrek aan collega’s pak je de zaak anders aan. Die autonomie is belangrijk om ons te motiveren.”

Mede door de vergrijzing is de krapte op de arbeidsmarkt groot. Uw pleidooi voor een andere benadering van langdurig zieken wint aan belang. Want mensen winnen aan belang. Het wordt steeds minder te verantwoorden dat je werknemers kwijt geraakt.

“In dat opzicht is het label invaliditeit een probleem. Ben je langer dan één jaar ziek, dan geven we je een label: invaliditeit. Het is bijna een tatoeage. Je krijgt dat moeilijk weg. Het is ook een bewijs dat de samenleving faalt. We hebben het een jaar geprobeerd, het is niet gelukt en nu stoppen we je in een andere categorie. Ik vind dat we die mensen in de steek laten. Ik weet dat niet alles oplosbaar is en dat je soms tegen mensen moet zeggen dat het niet meer gaat. Maar als het gaat over mentale gezondheid, spier- en botaandoeningen of hartproblemen, dan denk ik dat iemand uit de eenzaamheid halen het welzijn net bevordert. Als je betekenisvol en zinvol werk kan doen voor jezelf en voor een ander, dan draagt dat meer bij aan je mentale gezondheid dan geïsoleerd thuis zitten als invalide. In die zin vind ik werk een onderdeel van het herstel- en genezingsproces. Voor mij is het logisch dat werk een onderdeel van de behandeling vormt.”

We moeten dus aanvaarden dat niet iedereen altijd 100% kan renderen?

“Eén op vier zal zijn tijdens zijn of haar carrière moeilijke perioden beleven. Hoe gaan we daarmee om op het werk? Als iemand het moeilijk heeft, zouden we het toch belangrijk moeten vinden dat die persoon kan blijven participeren, ook al rendeert hij misschien niet optimaal. Het zal niet anders kunnen door de tekorten op de arbeidsmarkt. We moeten met zijn allen ook langer werken. We zullen dus steeds vaker geconfronteerd worden met mensen die onderdelen van hun opdracht niet meer aankunnen. Als het te vroeg is om op pensioen te gaan, moeten we ze dan ziek verklaren? Als we willen dat langer werken lukt, dan zullen we een oplossing moeten vinden op het werk zelf. In dat opzicht staan er goede dingen in het regeerakkoord. De werkgever is bijvoorbeeld verplicht om na 8 weken arbeidsongeschiktheid een inschatting te laten maken van het arbeidspotentieel van de werknemer en om, indien nodig, een re-integratietraject te starten. Dat komt overeen met wat ik ook bepleit, maar dan niet binnen een controlerende en sanctionerende context. Ik stel voor om mensen zelf verantwoordelijk te maken en incentives te geven.”

“Als je je verantwoordelijkheid opneemt, dan kunnen we ervoor zorgen dat je, zoals in zorgtrajecten, geen remgelden moet betalen. Het gevoel dat je wordt beloond als je meewerkt, functioneert beter dat het gevoel dat je iets moet doen om te vermijden dat je een uitkering verliest. Daarom werkt het systeem niet. Een langdurig zieke zit nu na drie maanden bij een arts die eigenlijk bepaalt of hij nog een uitkering krijgt of niet. Ik begrijp dit niet.”

Er is een gebrek aan eerlijkheid in de benadering van ziekte en van revalidatie. Voor u is vrijheid een belangrijke waarde in gezondheidszorg. Je moet mensen vrijheid geven om hun eigen leven in te delen.

“Dit is voor mij geen droombeeld, maar een zeer tastbare, gezondheidseconomische realiteit. Ik denk dat we een ommezwaai kunnen realiseren en dat dit onze sociale zekerheid ten goede zal komen. Ik ben geen soft cookie. Ik vind de centen belangrijk. Als je mensen gemotiveerd krijgt, dan werken ze beter en realiseren ze een hoger rendement. Dat hebben we nodig om onze maatschappij te laten functioneren.”

We komen uit een periode dat er voldoende mensen op de arbeidsmarkt waren. Nu komen we acuut mensen te kort, dus zijn we verplicht om goed mee hen om te springen. Kan je het zo samenvatten?

“Die nood is er inderdaad. Er is een tijd geweest dat werkgevers hun werknemers maar uit te kiezen hadden. Iemand deed te moeilijk? Dan stond de opvolger al klaar. Vandaag zijn werkgevers blij als iedereen komt opdagen.”

Wat is de impact op de welzijnszorg van uw pleidooi om de terugkeer naar werk te benaderen als gezondheidszorgdoelstelling?

“Participeren en terugkeer naar werk is een onderdeel van de behandeling. Daardoor wordt werken een gezondheidsdoelstelling en dus ook een gezondheidszorgdoelstelling. We moeten onze behandelingstrajecten daarop afstemmen. Dit vergt een vereenvoudiging van het systeem. Op zich is dat niet zo moeilijk. Als je terugkeert naar dezelfde werkgever, dan wordt je daar opgevangen door medische diensten. Keer je niet terug naar dezelfde werkgever, dan wordt je doorverwezen naar de werkcoördinator van het ziekenfonds. Zelfs met de bestaande structuren kun je redelijk ver komen. Maar dan moet je dat wel regelen en incentiveren. Daar hebben we een systeem voor. Je kan bijvoorbeeld ziekenhuizen betalen op gezondheidsuitkomsten. Zo regelen we het vandaag niet. We werken nu vanuit een medisch aanbod, zodat de kosten exploderen.”

“Als je op gezondheidsuitkomsten mikt, dan zal je pakweg 90% van de mensen helpen. Die basisstroom kan je relatief eenvoudig organiseren. Wat met de 10% bij wie het niet lukt? Aanvaard je dat? Of organiseer je dan extra zorg, wat ik getrapte zorg noem? Om mensen in die getrapte zorg te helpen, heb je een zeer persoonlijke aanpak nodig. Dat heb je niet nodig voor die 90% die de gezondheidsuitkomsten makkelijk halen. De discussie gaat dan over de vraag of iedereen gelijk is voor de wet? Wat betekent dat? Dat iedereen door hetzelfde traject moet? Ik denk het niet. Als iedereen gelijke kansen krijgt om te participeren, dan moet je je aanpak diversifiëren. De noden zijn anders. Vandaar dat ik het zo interessant vind om mensen te begeleiden op basis van waar ze toe in staat zijn.”

Geldt dat ook voor de medewerkers in de zorgsector?

“Elk ziekenhuizen hangt af van zijn staf. Als meer dan 10% van je staf niet actief is, zit je met een probleem. Het komt altijd op hetzelfde neer. Bij mentale gezondheidsproblemen en spierbot-aandoeningen is het bewezen dat blijven bewegen, blijven werken binnen bepaalde grenzen een positief resultaat oplevert. Dus ook bij zorgpersoneel moeten we durven kijken wat werk kan betekenen als je aan het herstellen bent.”

Wat betekent dit voor de manier waarop we onze carrière invullen, of ons pensioen? Vanaf een bepaalde leeftijd mag je niet meer werken.

“Dat is het grote verschil met pakweg Denemarken. Denen bekijken werk en sociaal overleg anders. Voor hen is het niet vreemd dat je tijdelijk voor je gezin kiest en minder werkt. Of dat je een carrièreswitch maakt, zelfs op latere leeftijd. Men staat er meer voor open. Werk is een onderdeel van hoe je jezelf kan realiseren.”

U bekijkt werknemers en werkgevers niet als solitaire atomen, maar als mensen die een relatie hebben. Ze maken keuzes in hun leven of in hun werk die gevolgen hebben voor anderen en voor zichzelf. Dat aspect wordt onvoldoende weergegeven in onze huidige visie op werk.

“Werkgevers en werknemers lijken partikels die je in een klinische omgeving kan analyseren. Of systemen die eenvoudig te categoriseren zijn: 0 of 1. We hebben het moeilijk met grijs. We verspillen geld en energie door onze drang om mensen in afgelijnde hokjes te stoppen. We zouden beter goed luisteren naar mensen om te begrijpen wat de behoeften zijn, zodat we de juiste middelen inzetten.”