welzijn & zorg

Het komt voor in de beste families

Sociologe Jill Coene over armoede
20.03.2025
Foto's
Jan Locus

Niemand wil dat armoede bestaat. En toch blijft het een hardnekkig fenomeen, zelfs in een rijk land als België. Armoede is ook niet eenduidig. Iedereen die met armoede te maken krijgt, heeft een eigen verhaal. Daarom is het belangrijk zoveel mogelijk kennis te vergaren, zoals de nieuwe aflevering van het Jaarboek Armoede en Ongelijkheid bewijst. Weliswaar sprak hierover met sociologe Jill Coene.

Al vele jaren bundelt het Jaarboek Armoede en Ongelijkheid nieuwe wetenschappelijke inzichten over de manier waarop armoede in elkaar zit. Dat onderzoek is onlosmakelijk verbonden met het armoedebeleid dat we als samenleving hebben ontwikkeld. “Ja, we hebben een hele goeie sociale zekerheid. Die hebben we te danken aan de inspanningen die in de decennia na Tweede Wereldoorlog zijn geleverd. Maar je moet het systeem wel actief blijven onderhouden en bijsturen”, zegt Jill Coene, medewerkster bij de Universitaire Stichting voor Armoedebestrijding (USAB/UAntwerpen). Ze coördineert het Jaarboek Armoede en Ongelijkheid.

Jullie schrijven dat “zonder de sociale zekerheid (inclusief pensioenen) 42,1% van de Belgische bevolking onder de armoededrempel zou leven”. Dat is een opmerkelijk hoog getal.

Jill Coene: “Ook al liggen veel minimumuitkeringen onder de armoederisicogrens, een aanzienlijk deel van de bevolking wordt door de sociale zekerheid uit de armoede gehouden. Dankzij onze inspanningen leeft slechts 12% van de bevolking onder de armoedegrens. Onze sociale zekerheid is een machtig instrument, omdat we onder meer werkloosheids- en ziekte-uitkeringen hebben.”

“Die 12% blijft een kwetsbaar percentage, omdat er wordt bespaard, zoals bij de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Vroeger, toen de sociale zekerheid werd ontwikkeld, had iedereen een meer gelijk risico op werkloosheid. Maar vandaag is het risico op werkloosheid steeds meer geconcentreerd bij bepaalde groepen. Dit kan ervoor kan zorgen dat de solidariteit wordt ondermijnd. Vandaag zijn bijvoorbeeld kortgeschoolden veel kwetsbaarder voor werkloosheid.”

Bedoel je dat we beter weten wie er vandaag hulp nodig heeft en dat het daardoor misschien moeilijker is om solidariteit te organiseren?

“Vroeger was het risico op bijvoorbeeld werkloosheid meer gelijk verspreid, waardoor iedereen baat had om bij te dragen vanuit hun eigenbelang. Vandaag is dat niet meer het geval. Als je beter bent opgeleid, dan bouw je voor jezelf toch een stuk bescherming in. Het eigenbelang speelt minder.” 

Wat betekent dat voor de manier waarop jullie als onderzoekers naar armoede kijken?

“Wij zien armoede als alle vormen van uitsluiting die iemand kunnen treffen en hoe die domeinen onderling samenhangen. Daarom denk ik dat het een uitdaging wordt om de bevolking voldoende bescherming te bieden tegen nieuwe sociale risico’s.”

Kan je die nieuwe sociale risico’s toelichten? Waar moeten we in de toekomst rekening mee houden?

“In dit Jaarboek Armoede en Ongelijkheid besteden we veel aandacht aan het levensloopperspectief. Zo weten we tegenwoordig meer over epigenetica: we weten dat de omgeving waarin mensen leven een impact heeft op hun genen, waardoor er mogelijk aandoeningen ontstaan die van generatie op generatie overgedragen worden.”

“Als ik de voorbije jaarboeken overloop, dan zie ik nog een aantal andere uitdagingen. De klimaatverandering bijvoorbeeld. Mensen in armoede zijn kwetsbaarder, terwijl ze minder hebben bijgedragen aan de klimaatverandering. Het wordt ook een uitdaging om een rechtvaardige transitie te organiseren die de gevolgen van die klimaatverandering bijstuurt. Mensen in armoede hebben helemaal niet de middelen om zich te wapenen tegen energiearmoede. De klimaatverandering zal ook gepaard gaan met migratie, omdat in de toekomst sommige regio’s onbewoonbaar zullen worden. Mensen uit die landen zullen op zoek gaan naar een veilig bestaan. Dat zal een heel sterke dynamiek op gang brengen. En we weten dat migratie sowieso al een heel groot thema was de voorbije jaren, nog los van die klimaatverandering.”

“Digitalisering is ook een breuklijn. Niet Iedereen is even digitaal onderlegd. Fysieke loketten worden gesloten. We moeten alles online regelen. Vooral mensen in armoede, maar ook kortgeschoolden, kunnen niet altijd even vlot mee met die evolutie. De razendsnelle ontwikkeling van AI zal dit probleem alleen maar vergroten.”

Heeft het zin om te spreken van een strijd tegen armoede? Gaat het niet eerder om het zo goed mogelijk beheren van een probleem?

“Armoede is een heel moeilijk vraagstuk met veel uitdagingen. Er is geen knop die je kan indrukken om alles op te lossen. Uiteraard wil je armoede bestrijden, maar dat is een heel moeilijke opdracht. Het is eerder symptoombestrijding. Hopen dat het niet erger wordt. Tegelijk denk ik ook dat de ambitie soms ontbreekt om er iets aan te doen. Politici zijn vaak bezig met kortetermijnoplossingen. De lange termijn wordt makkelijker vergeten of vergt keuzes die niet populair zijn. Soms is er ook beleid dat ingaat tegen armoedebestrijding. Zo werden de leeflonen en de toegang tot sociale woningen de voorbije jaren voorwaardelijker. Dat lijkt eerder op een bestrijding van mensen in armoede, om het cru te zeggen.”

Ongelijkheid wordt vaak besproken aan de hand van de gini-coëfficiënt,. Het Jaarboek Armoede plaatst België op een elfde plaats In Europa wat het risico op armoede of sociale uitsluiting betreft. Wat betekent dat? Zijn er landen waar het veel beter of veel slechter gaat?

“De indicator ‘armoede en sociale uitsluiting’ in ons jaarboek is zeer breed. Als we puur naar het armoederisico kijken, dan doet België het redelijk goed. Dit risico is bij ons relatief laag. We zitten in de Europese kopgroep. Als je kijkt naar deprivatie (het percentage van de bevolking dat zich de gangbare levensstandaard niet kan veroorloven, nvdr) dan zakken we al wat dieper. Als je naar de lage werkintensiteit kijkt, dan haalt België de slechtste score van Europa. De ongelijkheid zelf blijft de afgelopen jaren vrij stabiel, als je alleen kijkt naar inkomen. Data over vermogens worden hierin niet meegerekend.”

Het is belangrijk dat er meer mensen aan de slag gaan. Maar jullie tonen dat de werkzaamheidsgraad van personen van 55 tot 64 jaar in 2023 veel lager lag dan die van de andere leeftijdsgroepen. Hoe verklaar je dat?

“Dat verschil blijft groot. Ik denk dat discriminatie op de arbeidsmarkt hier de belangrijkste verklaring biedt.”

Waar komt dan de lage werkintensiteit in België vandaan?

“De werkintensiteit wordt op huishoudniveau gemeten. Historisch gezien zijn er meer vrouwen aan de slag gegaan. Sociologe Bea Cantillon heeft bij herhaling bewezen dat nieuwe jobs vooral gingen naar gezinnen waar er al werk was. Dit creëert een spanning tussen de groep die meer werk verzamelt en de achterblijvers.”

“De homogeniteit van partnerrelaties is ook een factor. Hooggeschoolden en laaggeschoolden vinden doorgaans een partner in de eigen groep. Twee laaggeschoolden verzamelen dus gemiddeld minder kansen op arbeid.”

Bestaat er een ultieme combinatie van beleidsmaatregelen om die problemen goed te beheren?

“Nee, maar er zijn wel belangrijke hefbomen. Het verhogen van de uitkeringen naar de armoedegrens bijvoorbeeld. Dat is duur en daarom lastig te regelen. De combinatie is belangrijk. Je moet zowel de uitkeringen optrekken, sociale woningen bouwen, discriminatie wegwerken en investeren in onderwijs. De nieuwe ontwikkelingen die ik schets, stellen de situatie op scherp. De uitdagingen worden groter.”

Vind je dat er voldoende rekening wordt gehouden met de inzichten rond armoede die jij en je collega’s opbouwen? Vormt die kennis mee de basis van beleid?

“Ik wil niet pessimistisch klinken, maar ik heb soms de indruk dat wetenschappelijk onderzoek niet altijd genoeg doordringt tot het beleid. We pleiten als onderzoekers voor het optrekken van de uitkeringen en voor meer sociale woningen. Als het leefloon en de sociale woningen vervolgens aan meer en strengere voorwaarden worden gekoppeld, dan druist dat in tegen onze bevindingen.”

“De samenwoners zijn ook zo’n voorbeeld. De uitkeringen worden op gezinsniveau bekeken. Je kan een uitkering hebben als gezinshoofd of als samenwoner. Maar de uitkering van een samenwoner is natuurlijk heel laag. Dat schrikt sommige mensen af als ze een koppel willen vormen. Ze gaan er immers financieel op achteruit. We weten dit allang, maar er wordt niets aan gedaan, omdat het zogezegd te duur is. Hierdoor worden bijvoorbeeld ook kinderen gestraft die als volwassene terug bij hun ouders gaan wonen.”

Uit jullie data blijkt zelf dat een beperkte groep mensen gezinsuitbreiding uitstellen, omdat ze het daardoor financieel moeilijk zouden krijgen.

“Kwatongen beweren soms dat mensen kinderen maken voor de kinderbijslag, maar dat is allesbehalve het geval. De kost van kinderen is gigantisch.”

Een bijzonder boeiend thema in dit Jaarboek Armoede is het levensloopperspectief. De ervaring die iemand heeft met armoede wordt dan bekeken in het geheel van zijn of haar leven. Mensen vallen daardoor niet samen met armoede, aangezien het soms maar om een beperkte periode in hun leven gaat. Wat kan het beleid leren uit dit levensloopperspectief?

“Er zijn een heleboel gebeurtenissen die bepalen of iemand in armoede valt of er terug uit klimt. Veel van die gebeurtenissen hangen samen met transities in het leven, zoals scheiden of weduwe worden. Ik vind de onderlinge samenhang van levensfases een belangrijke vaststelling. Als je opgroeit als kind in armoede, dan draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Onder andere omdat de ontwikkeling van je hersenen er de impact van kunnen ondervinden. Dat wil uiteraard niet zeggen dat alles vastligt, maar het betekent wel dat we oog moeten hebben voor het levensloopperspectief. Het beleid trekt daar lessen uit, bijvoorbeeld door in te zetten op de eerste 1.000 dagen van het kind.”

Uit het onderzoek naar armoede en mentale gezondheid blijkt het grote belang van de perceptie van armoede. Zich arm voelen kan ook een probleem zijn.

“Armoede is altijd relatief. Als iedereen rondom je het beter heeft, dan zal het wringen als je niet mee op café of restaurant kan gaan. Dat zorgt ervoor dat je armoede ook subjectief kan aanvoelen. Dat speelt een grote rol bij mentaal welzijn. Het gaat niet alleen om geldgebrek, maar ook om het gevoel dat je uitgesloten bent.”

Zorg en welzijn veranderen ingrijpend door technologische innovatie, nieuwe sociale kwesties en maatschappelijke veranderingen, zoals de superdiverse samenleving. Armoedebeleid vormt een rode draad bij die thema’s. Hoe verandert dit alles volgens u de zorg zelf?

“Groepen worden veel diverser. In de groep ouderen bijvoorbeeld is er veel meer culturele diversiteit, waardoor de zorg ook veel cultuursensitiever zou moeten werken. Dat is vandaag nog niet in die mate zo. De interne diversiteit in de groep mensen met een migratieachtergrond neemt ook toe. Daardoor wordt de groep van mensen in armoede ook diverser. Dat brengt in die groep spanningen teweeg, waarbij bijvoorbeeld mensen uit de generatie-armoede de schuld gaan geven aan migranten, of de jongeren aan de ouderen, of andersom. Terwijl we toch dezelfde strijd moeten voeren tegen armoede.”

“De technologie wordt ook ingrijpender. Algoritmes gaan mee bepalen wie ergens recht op heeft. Met de toeslagenaffaire in Nederland (grootschalige onterechte verdenkingen van sociale fraude tussen 2004 en 2019, nvdr) hebben we gezien waar dat toe kan leiden. Het is belangrijk dat die processen worden gecontroleerd. Digitalisering doet ook nieuwe vormen van werk ontstaan, zoals platformarbeid van Deliveroo of Uber. Het levert precaire statuten op die ook een impact hebben op armoede.”

De vergrijzing komt als een muur op ons af. Uit het Jaarboek Armoede blijkt dat 65-plussers er bekaaid vanaf komen. Ze lopen een groot risico op armoede. Hoe moeten we daarmee omgaan?

“Als je terugkijkt in de tijd, dan blijkt dat het armoederisico van ouderen gedaald is. De pensioenen zijn verbeterd. De minimumpensioenen zijn opgetrokken. Meer vrouwen zijn gaan werken. Dat zijn allemaal oorzaken waarom de armoede bij ouderen gedaald is. Dat neemt niet weg dat die armoede nog altijd hoger is dan bij de doorsneebevolking en bij andere leeftijdsgroepen. Ik denk dat dit in de toekomst kan verbeteren. Meer mensen zijn hoogopgeleid. Dat doet inkomens stijgen en later ook de pensioenen.”

“De diversiteit neemt ook in die groep toe. Mensen met een migratieachtergrond hebben gemiddeld minder jobmogelijkheden en hebben het dus moeilijker om een degelijk inkomen te verwerven. Dat zal uiteindelijk ook een effect hebben op hun pensioen.”

Is langer werken voor deze groep realistisch? Moeten we geen bredere visie ontwikkelen op het laatste stuk van de loopbaan?

“Misschien moeten we dat inderdaad wat nuanceren. Er zal sowieso een groep zijn die langer wil werken. Het probleem zit vooral in die verplichting. Voor mij is de vraag hoe je rekening kan houden met de mensen voor wie langer werken niet mogelijk is. Sommige mensen zijn op een bepaalde leeftijd fysiek op. We moeten er met een open blik naar kijken.”

“Wie gaat er dan voor de kleinkinderen zorgen als grootouders langer werken en als er niet genoeg betaalbare kwaliteitsvolle kinderopvang is? Vandaag bieden 50-plussers heel vaak mantelzorg aan hun ouders. Als je langer moet werken, dan wordt dat ook een uitdaging. Terwijl de overheid meer vermaatschappelijking van de zorg wil. Hoe ga je dat dan doen als je langer fulltime moet werken?”

In het Jaarboek Armoede komt vrij vaak de aanbeveling terug dat we vooral moeten proberen om armoede te vermijden.

“Dat is inderdaad een belangrijk punt. Het onderzoek van Ides Nicaise (KU Leuven) toont bijvoorbeeld dat je met een hogere uitkering meer kansen hebt om te zoeken naar werk of een opleiding te volgen. Als je uitkering onder de armoedegrens blijft, dan ben je daar een gevangene van. Dan ben je aangewezen op overleven.”

Is generatie-armoede in België erger dan in onze buurlanden?

“Ja, in sommige opzichten lijkt die generatie-armoede op wat er in Zuid-Europa gebeurt. En dat is voor een rijk land als België toch een probleem. Men gaat er vaak van uit dat je de armoede van de kindertijd wel zal compenseren door je eigen opleidingsniveau en beroepsklasse. Caroline Dewilde (Tilburg University) heeft die intergenerationele overdracht van financiële deprivatie onderzocht. Ze stelt vast dat opleiding en beroepsklasse belangrijk zijn, maar dat er nog altijd een effect van die eerdere armoede blijft.”

Jullie pleiten voor structurele beleidsmaatregelen voor ouders in een financieel kwetsbare positie. Wat bedoelen jullie daarmee?

“Er zijn maatregelen nodig die ervoor zorgen dat jonge of kwetsbare gezinnen meer mogelijkheden hebben om een job op te nemen en de zorg voor kinderen te combineren. Bijvoorbeeld door betaalbare kinderopvang van goede kwaliteit die ook beschikbaar is. Vandaag heb je vaak kinderopvang die niet is afgestemd op je werkuren. Tegelijk zijn er ook maatregelen nodig om de kosten van gezinnen met kinderen te verlagen, bijvoorbeeld via een huisvestingstoelage, het groeipakket of een maximumfactuur in het onderwijs.”

Hoe zou je het groeipakket herverdelender kunnen maken?

“Bijvoorbeeld door het basisbedrag iets te verminderen en iets meer geld te laten doorstromen naar kwetsbare kinderen. Je moet er uiteraard ook wel voor zorgen dat de solidariteit blijft bestaan.”

Wat huisvestingsbeleid betreft, roepen jullie op om kritisch te staan tegenover het huidige discours van vroeger nadenken over later. Niet elke oudere heeft de mogelijkheid om keuzes te maken die in de lijn van de eigen behoefte liggen. Wat bedoelen jullie hiermee?

“Dat hoofdstuk is geschreven door Ariane Vanbellinghen (VUB) en haar collega’s. De overheid wil dat je op tijd begint na te denken over de huisvesting op je oude dag. Kan ik in mijn woning blijven of moet ik verhuizen? De keuze voor een bepaalde woning is niet altijd vrijblijvend en hangt sterk samen met je financiële mogelijkheden of je relatiestatus. De auteurs geven het voorbeeld van een alleenstaande man, een weduwnaar. Hij wil zijn woning verkopen omdat die te groot is. Maar de geschatte opbrengst blijkt onvoldoende om de stap naar een woonzorgcentrum te zetten.”

Ook opvallend is wat jullie schrijven over nieuw-samengestelde gezinnen. Gemiddeld duurt het acht jaar vooraleer het eerdere inkomensniveau wordt bereikt.

“Als je herpartnert, dan ga je er uiteraard wel op vooruit. Maar de die inhaalbeweging duurt een tijdje.”

Over de interactie tussen armoede en geestelijke gezondheid weten we nog lang niet alles. Het multidimensionele beeld van armoede wordt nog volop onderzocht.

“We kennen de basiscijfers rond armoede. Maar de verbanden tussen domeinen zijn minder gekend. Vorig jaar is er bijvoorbeeld een aantal middenveldorganisaties in de pers gekomen om te wijzen op het verband tussen wonen en de onderwijssituatie van kinderen. We hebben nood aan meer kwalitatief onderzoek. Cijfers tonen een tendens aan, maar het verhaal achter die cijfers moet worden verteld door mensen met ervaringskennis in armoede.”