'Wij luisteren altijd naar wat het gezin zélf wil'

Jaarverslag Jeugdhulp: terugblik op 2019

Jeugdhulp blikt terug op 2019 met reportages en verzamelde cijfers op hun website. Zo gingen in heel Vlaanderen in 2019 laagdrempelige samenwerkingsverbanden van start die werkten rond het principe van Eén gezin één plan. In regio Oost (Limburg) heten ze “De Plan-Trekkers”. Ze blikken terug op dat eerste jaar van pionierswerk.

De Plan-Trekkers, zo heet dit samenwerkingsverband rond Eén gezin één plan. En die naam is goed gekozen, zo blijkt als we met enkele leden van het team rond de tafel zitten. Maar voor ze vol enthousiasme hun verhalen uit de praktijk beginnen te delen, legt coördinator Els Raskin uit hoe ze ontstonden. “In de jeugdhulp viel steeds vaker op dat een aantal gezinnen tussen de mazen van het net glippen. Soms is hun vraag te breed of te vaag - ‘ongearticuleerd’, in professionele termen. Of zo complex dat ze niet bij één module past. Of een gezin staat al zo lang op een wachtlijst, dat er steeds meer problemen bijkomen. Of er zijn al zoveel hulpverleners gepasseerd, dat het gezin elke vorm van zelfredzaamheid dreigt te verliezen.

Toenmalig minister Jo Vandeurzen probeerde een antwoord te ontwikkelen: Eén gezin één plan. Begin 2019 is dat officieel van start gegaan, met een aantal pilootprojecten. Wij als Plan-Trekkers zijn daar één van. Intussen is een tweede oproep gelanceerd en beslist, want het is de bedoeling dat dit over heel Vlaanderen wordt uitgerold.”

“Het basisidee is dat je voor een gezin één plan opstelt waarin alle hulp op elkaar afgestemd wordt”, legt teamcoach Dimitri Driesen uit. “We streven ernaar om dat plan binnen het halfjaar rond te krijgen, vaak gaat het zelfs sneller.

Er wordt nooit over de hoofden van gezinnen heen gesproken: ze zijn betrokken bij elk overleg en elke beslissing

Het is cruciaal dat het gezin zelf de regie in handen houdt. We willen gezinnen en hun netwerk weer in hun kracht zetten.” Daarvoor is een heuse mentaliteitsverandering nodig, vertelt Els. “Er wordt niet vertrokken vanuit een bepaalde module of aanbod, maar vanaf het eerste gesprek geluisterd naar wat het gezin zélf wil en nodig heeft. En er wordt nooit over de hoofden van gezinnen heen gesproken: ze zijn betrokken bij elk overleg en elke beslissing. Die evolutie is er niet alleen bij ons, maar bij alle organisaties uit de jeugdhulp. Vandaar de bewuste keuze voor samenwerkingsverbanden. De minister had ook een heel nieuwe organisatie in het leven kunnen roepen, maar deed dat bewust niet. In alle sectoren van de jeugdhulp - van een residentiële voorziening tot een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) - zit veel nuttige ervaring en kennis. Wij hebben medewerkers uit dertien verschillende organisaties, die allemaal vanuit een spreidstand werken: ze zijn gezinscoach voor Eén gezin één plan én ze blijven meedraaien in hun eigen organisatie. Zo creëer je een ‘olievlek’: wij ‘besmetten’ onze medewerkers met een nieuwe manier van denken, zij verspreiden dat verder in hun moederorganisatie.”

We zoeken de oplossingen zoveel mogelijk bij het gezin en hun eigen netwerk. Pas in tweede instantie kloppen we aan bij professionals

Gezinscoach Kelly Luys heeft intussen al heel wat gezinnen begeleid. “Ons aanmeldteam - waar ik zelf ook deel van uitmaakt - krijgt per telefoon of mail een aanmelding binnen. Dat kan vanuit een CLB komen, een CAW, een psychiatrisch kinderziekenhuis, een huisarts, een Huis van het Kind, een jeugdrechtbank… Maar ook gezinnen zelf melden zich soms bij ons aan. Wij luisteren goed naar de bezorgdheden én de aanwezige krachten en we willen zeker weten of de vraag wel van het gezin zelf komt. Als dat niet het geval is, gaan we naar hen toe om de zaken uit te klaren. Is er eigenlijk wel een vraag? De aanmelding wordt dan besproken binnen ons team en als het gezin in aanmerking komt, kijken we welke gezinscoach kan starten.

Vijf vragen

We zoeken steeds naar een goede match. Tijdens de eerste ontmoeting met het gezin stelt die altijd vijf vragen: Wat zou u willen veranderen? Wat moet er veranderen? Hoe wilt u dat aanpakken? Wie hebt u nog meer nodig? Hoe kan ik u daarbij helpen?  Stel dat het gezin het moeilijk heeft om de financiën te beheren. Dan gaan we eerst kijken of iemand uit de familie of vriendenkring hen daarbij kan helpen. Als dat niet lukt, gaan we bijvoorbeeld naar het laagdrempelige ‘Koffie & Papieren’ in Genk. Of stel dat de tienerzoon gedragsproblemen heeft en niet met zijn ouders wil praten. Dan kunnen we kijken of een goede vriend, familielid of leerkracht de rol van vertrouwenspersoon kan opnemen. We zoeken de oplossingen zoveel mogelijk bij het gezin en hun eigen netwerk. Pas in tweede instantie kloppen we aan bij professionals. Bij sommige gezinnen moet ik maar een paar keer langsgaan om samen een plan uit te werken, bij anderen kom ik een halfjaar lang misschien wel drie keer per week. De bedoeling is om onszelf als gezinscoach zo snel mogelijk overbodig te maken.”

Naast de gezinscoaches zijn er bij het team ook enkele eerstelijnspsychologen betrokken. Ine Louwies is een van hen. “Meestal denken wij mee ‘vanop afstand’: op de casusbesprekingen kaarten de gezinscoaches vaak aan dat de jongeren met psychische problemen of gedragsproblemen kampen, of dat de ouders wel wat extra handvaten kunnen gebruiken. Dan denken we mee en doen we suggesties. Als dat niet volstaat, kunnen we ook een kortdurend traject met het gezin doorlopen. Soms spreken we alleen met het kind of de jongere af, soms alleen met de ouders en soms allemaal samen - alles gebeurt op maat. En ook belangrijk: we kiezen er bewust voor om jongeren tot 25 jaar te begeleiden. Jongvolwassenen zijn een kwetsbare groep die in de hulpverlening soms tussen schip en wal dreigt te vallen, dus wij willen hen zeker niet in de steek laten. Daarnaast streven we er ook naar om situaties te ‘normaliseren’. Zo herinner ik me een gezin waarin de ouders met verschillende problemen kampten en de papa vervolgens kanker kreeg. Het achtjarige zoontje wilde plots niet meer alleen slapen en werd heel angstig. Meteen werd gedacht aan gedragsproblemen, terwijl het een heel normale reactie was. Ik ging die jongen ophalen aan zijn voetbalclub en samen gingen we dan naar de bibliotheek, op zoek naar boekjes over kanker. En we hebben ook gezocht naar een speelgezin waar hij zich af en toe een paar uur zorgeloos kon uitleven. Nadien konden die jongen en zijn ouders - een heel hecht en warm gezin - perfect zelf verder.”

Vertrouwen én veiligheid

In het eerste jaar hebben De Plan-Trekkers ongeveer 200 gezinnen geholpen - zonder wachtlijst. “70 procent van onze capaciteit houden we vrij voor aanmeldingen uit de brede instap (huisartsen, CAW, CLB, OCMW, Opgroeien…), 30 procent wordt voorzien voor verhalen waar sprake is van verontrusting”, vertelt Dimitri. “Uiteraard staat de veiligheid van de kinderen altijd voorop. Maar wij werken met Signs of Safety: we gaan uit van de kracht van gezinnen om zelf aan die veiligheid te werken. Vanuit een gedeelde bezorgdheid en verantwoordelijkheid bereik je veel meer dan wanneer je hen onder dwang bepaalde zaken oplegt.” Maar het is wel pionierswerk, vult Els aan. “Bij momenten moeten we echt ‘onze plan trekken’ en is de grens tussen vertrouwen en veiligheid erg dun.”

Dat ondervond Kelly aan den lijve. “Het ging om een koppel dat problemen had met drugs en agressie. Ze hadden een dochtertje van één jaar oud. Na een residentieel verblijf in een CKG wilde de mama alleen gaan wonen met het kind. Het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) ging akkoord, op voorwaarde dat de papa elders zou verblijven en hulp zou zoeken voor zijn verslaving. Op dat moment werd ik als Plan-Trekker ingeschakeld."

Intussen gaat alles heel goed met de mama - ze volgt een opleiding, heeft een stevig netwerk - en een tijdje geleden stuurde ze nog een mail om me te bedanken.

De mama stond aanvankelijk heel wantrouwig tegenover hulp - ze was heel haar jeugd begeleid door jeugdhulp en was erg bang om haar dochter te verliezen - maar ik slaagde er toch in om haar vertrouwen te winnen, door náást haar te gaan staan. Zij en de papa waren vragende partij om samen af te spreken, ze wilden hun best doen voor hun dochter. Dus zijn we een paar keer samen naar een speeltuin gegaan. Ik zag daar soms moeilijke situaties, zelfs agressie, maar ook veel goede wil. Op een bepaald moment vertrouwde het koppel me toe dat ze toch samenwoonden, maar dat ze hierover logen tegen hun consulent van het OCJ. Dat was voor mij heel moeilijk: als ik dit zou melden, zou ik meteen het vertrouwen van die ouders verliezen. Maar anderzijds wilde ik natuurlijk ook dat alles veilig bleef verlopen en dat mijn goede samenwerkingsrelatie met de consulente niet in het gedrang kwam. Ik heb er veel over gepraat met het team en besloot toch te zwijgen. We hebben toen samen een veiligheidsplan opgesteld en alles leek goed te gaan. Tot de mama me in vertrouwen nam: eigenlijk wilde ze weg bij haar partner, omdat die toch agressief bleef. Toen heb ik samen met haar besloten om opnieuw te starten met een traject, maar dan wel in alle openheid. Daarop heeft de mama zélf haar verhaal gedaan bij het OCJ. Intussen gaat alles heel goed met haar - ze volgt een opleiding, heeft een stevig netwerk - en een tijdje geleden stuurde ze nog een mail om me te bedanken. Ze heeft het vertrouwen in zichzelf en in de hulpverlening terug. Dat is alleen gelukt omdat wij haar het nodige vertrouwen hebben gegeven en op haar tempo zijn blijven werken, daar ben ik van overtuigd. Maar makkelijk was het zeker niet.”

Meer reportages en cijfers over jeugdhulp in 2019? Die vind je op de website van Jeugdhulp.