kinderen & jongeren

Vroegdetectie en -interventie voor kinderen en jongeren met psychische kwetsbaarheid

Naar een wetenschappelijk onderbouwde continuering van het zorgaanbod in Vlaanderen
22.10.2024
Foto's
Florian Van Eenoo

Volgens de WHO kampt tot 20 procent van de kinderen en jongeren wereldwijd met geestelijke gezondheidsproblemen. Het is cruciaal om deze problemen vroegtijdig op te sporen en te behandelen om de gezondheid en ontwikkeling van kinderen en jongeren te beschermen  Vroegtijdige detectie kan voorkomen dat deze psychische problemen verergeren en maakt behandeling eenvoudiger. Dit is een vorm van preventie die snellere, al dan niet gespecialiseerde, behandeling mogelijk maakt.

Sinds 2018 financiert de Vlaamse overheid het CONNECT-programma voor vroegdetectie en vroeginterventie (VDVI) voor kinderen en jongeren. Dit programma wordt uitgevoerd binnen de zes netwerken geestelijke gezondheid voor kinderen en jongeren in Vlaanderen en Brussel. De focus ligt op kinderen en jongeren met een verhoogde kwetsbaarheid voor psychische problemen (psychose, suïcide, eetstoornissen, verslaving en KOPP/KOAP). Door laagdrempelige hulp te bieden, wil de Vlaamse overheid een efficiënt geestelijk gezondheidszorgmodel ontwikkelen en voorkomen dat lichte tot matige psychische klachten evolueren naar ernstige psychopathologie.

Een recente bevraging van het voormalige Agentschap Zorg & Gezondheid (2022) toont dat het huidige CONNECT-programma zeer divers in de verschillende provincies wordt ingevuld. Vooral de aard van de psychische problematieken en de leeftijdsgroepen waarop men zich richt, het stadium waarin de psychische problematieken zich bevinden, de toegepaste methodieken en de inbedding in het geestelijke gezondheidszorglandschap verschillen sterk. Dit zorgt voor onduidelijkheid in het werkveld over de specifieke doelstellingen van CONNECT en hoe dit aanbod zich verhoudt tot (meer langdurige) behandeling. In 2017 werd een algemeen kader voor het programma “vroegdetectie en -interventie van psychische problemen bij kinderen en jongeren” goedgekeurd door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid. Hierin werd aanbevolen om de meest recente onderzoeksresultaten inzake vroegtijdige hulp- en zorgverlening sneller naar de praktijk over te dragen, zodat de praktijkorganisaties gesensibiliseerd kunnen worden rond evidence-based praktijken. Met deze studie binnen het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (SWVG) zet Vlaanderen in op deze aanbeveling.

Doelstellingen van het onderzoek:

1. Verduidelijken wat vroegdetectie en vroeginterventie inhouden voor kinderen en jongeren met een verhoogde kwetsbaarheid voor psychische problemen.

2. In kaart brengen welke generieke evidence-based praktijken inzetbaar zijn voor vroegdetectie en vroeginterventie voor kinderen en jongeren.

3. Aftoetsen in hoeverre deze praktijken bruikbaar zijn binnen de CONNECT-projecten.

4. Aanbevelingen ontwikkelen over relevante evidence- en practice-based praktijken die een kader kunnen bieden bij de voortzetting en heroriëntering van de zes CONNECT-projecten.

5. Een voorlopige set van indicatoren ontwikkelen om inzicht te krijgen in de kenmerken van de gebruikers en het concreet zorgaanbod, en om de heroriëntering van de CONNECT-projecten in de toekomst te kunnen opvolgen.

6. Onderzoeken hoe de zes projecten hun aanbod zullen optimaliseren op basis van de aanbevelingen.

Om deze doelstellingen te bereiken bestond het onderzoek uit een documentenanalyse, een systematische literatuurstudie van reviews, het bevragen van de relevante stakeholders tijdens twee zogenaamde denknamiddagen, en een bevraging van experten inzake kwaliteitsindicatoren. De conclusies van de studie worden hieronder samengevat.

Welke kernopdrachten voor CONNECT zijn aan te bevelen?

1. Intermediairwerking - Intermediairs op belangrijke vindplaatsen, worden door CONNECT gesensibiliseerd, opgeleid en ondersteund om vroegdetectie en vroeginterventie mogelijk te maken. Belangrijke intermediairs zijn o. a. CLB-medewerkers, jeugdwerkers, huisartsen en politiemensen.

o Zowel in de wetenschappelijke en grijze literatuur als tijdens de denknamiddagen wordt het belang van sensibiliseren, trainen en ondersteunen van intermediairs benadrukt. Zij zijn onmisbaar voor vroegdetectie en kunnen ook een rol spelen bij vroeginterventie. Daarnaast is het van belang dat gezinnen, jongeren en jongvolwassenen zelf de stap naar CONNECT kunnen zetten.

o Tijdens de denknamiddagen werd het opzetten van een centraal aanmeldpunt voor GGZ-vragen als een meerwaarde gezien om de instroom naar CONNECT te faciliteren. Het is echter belangrijk dat een uitbreiding van vroegdetectie gepaard gaat met een uitbreiding van de middelen voor vroeginterventie.

o Het aantal intermediairs waarmee CONNECT-hulpverleners contacten hebben, is de laatste jaren sterk toegenomen. Deskundigheidsbevordering kan dus een aanzienlijke taak worden.

2. Vroeginterventie – CONNECT biedt laagdrempelige hulp aan kinderen, jongeren én hun context, volgens het principe “kort waar mogelijk, lang waar nodig”. De aanpak kan generiek of specialistisch zijn, en de context van de kinderen en jongeren wordt steeds betrokken. Na een aantal sessies volgt een evaluatiemoment om de zorgbehoeften te herzien en de aanpak eventueel bij te sturen. Het betreft hier altijd vrijwillige hulpverlening.

o Een strikte afbakening van het aantal sessies zou problematisch zijn, blijkt uit de denknamiddagen. In de recente internationale literatuur is bovendien weinig tot geen ondersteuning te vinden voor het stepped care model van zorg bij kinderen en jongeren. Men waarschuwt zelfs voor de risico’s van dit model, zoals verlenging van de wachttijd voordat jongeren bij de juiste hulp terecht kunnen.

o Voor matched care, een alternatief zorgmodel waarbij men probeert de cliënt zo snel mogelijk bij de juiste zorg te krijgen, zijn op dit moment geen gepubliceerde reviews te vinden die dit model evalueren bij kinderen en jongeren. Tijdens de denknamiddagen benadrukken de stakeholders het belang van zorgcontinuïteit en pleiten ze voor het principe van matched care, waarbij de stem van de cliënt centraal staat.

o De literatuurstudie toont aan dat werken met de context belangrijk is om de kans op succes van een vroegtijdig zorgtraject te vergroten, waarbij interventies rond engagement met ouders een rol kunnen spelen. CONNECT mag zich niet beperken tot een individueel aanbod.

o De stakeholders willen de link met de expertisecentra behouden om op de hoogte te blijven van evidence-based praktijken voor CONNECT. In de huidige werking wordt voornamelijk gebruik gemaakt van methodieken zoals Open Dialogue en motiverende gespreksvoering. Daarnaast zou de werking moeten vertrekken vanuit de opgebouwde expertise van de hulpverleners: men kan vroeginterventie niet als een specialisatie beschouwen en dan elke problematiek generiek benaderen.

3. Toeleiding – CONNECT leidt, wanneer nodig, toe naar gepaste gespecialiseerde zorg op de 2e of 3e lijn van de GGZ. CONNECT zorgt voor aanmelding op de juiste plaats (matched care), en voor een succesvolle aanmelding door eventueel aanklampend te werken, co-interventies te doen, en de ondersteuning te continueren tot de gepaste zorg kan starten.

o Het toevoegen van kinderpsychiaters aan de CONNECT-teams kan een meerwaarde zijn om cliënten sneller naar de gepaste zorg toe te leiden.

o Daarnaast onderstrepen de stakeholders dat het langer vasthouden van jongeren binnen CONNECT om een wachttijd te overbruggen, meer zin heeft dan hen te verwijzen naar een minder gepaste zorgvorm in afwachting.

o CONNECT mag niet dezelfde rol opnemen als de 2e of 3e lijn van de GGZ. Het is dus essentieel om de werking van CONNECT af te lijnen en te evalueren wie meer langdurige zorg nodig heeft. Hiervoor kan het een meerwaarde zijn om CONNECT-medewerkers ook deeltijds in de 2e of 3e lijn te laten meewerken.

Welke organisatie van CONNECT is aan te bevelen?

Het CONNECT-team is interdisciplinair samengesteld en ingebed in de gespecialiseerde GGZ op de 2e of 3e lijn. Deze lijnen dienen als uitvalsbasis van de CONNECT-hulpverleners, die van hieruit vertrekken naar vindplaatsen, GGZ-organisaties of andere locaties waar het nodig is om contact te maken met kinderen en jongeren voor vroegdetectie of vroeginterventie. Jongeren die vanuit CONNECT naar gespecialiseerde diensten worden doorverwezen, kunnen op deze manier verder begeleid worden door dezelfde medewerkers, waardoor breuken in het zorgtraject vermeden worden.

Het is essentieel dat de opgebouwde expertise van de CONNECT-hulpverleners behouden blijft bij de hervorming van het programma. Ook moeten de GGZ-netwerken verantwoordelijkheid krijgen voor de invulling van de CONNECT-programma’s.

Wat zijn de randvoorwaarden om deze aanbevelingen te implementeren?

  • Een centraal aanmeldpunt voor de GGZ per regio.
  • Een zorgstrategisch plan voor vroegdetectie en vroeginterventie binnen elk netwerk.
  • Een langetermijnvisie voor vroegdetectie en vroeginterventie vanuit de Vlaamse overheid, met interministeriële afstemming.
  • Een duidelijke aflijning van de CONNECT-werking t.o.v. eerstelijnspsychologen, de 2e en 3e lijn van de gespecialiseerde GGZ, en de aanpak van 1Gezin-1Plan.
  • Blijvende inspanningen van de betrokken overheden om de wachtlijsten in de GGZ te verkorten.
  • Voldoende middelen om de verbreding van het CONNECT-aanbod mogelijk te maken.

Een voorlopige set van indicatoren voor het meten en opvolgen van de heroriëntering van het CONNECT-programma

In de wetenschappelijke en grijze literatuur is weinig evidentie te vinden over indicatoren voor vroegdetectie en vroeginterventie in de GGZ voor kinderen en jongeren. Op basis van de literatuurstudie, de bevraging van stakeholders en experten, en de expertise van de onderzoekers, werd een eerste aanzet tot een longlist en een shortlist van indicatoren opgesteld. Deze indicatoren kunnen de heroriëntatie van CONNECT faciliteren en monitoren. (Zie uitgebreid rapport voor de tabellen met indicatoren.)

De opstart van de heroriëntering van het CONNECT-programma binnen de GGZ-netwerken voor kinderen en jongeren

Via de kadernota van het Departement Zorg uit juli 2023 hebben de GGZ-netwerken voor kinderen en jongeren kennisgenomen van de heroriëntering van het CONNECT-programma. Uit de denknamiddag met de zes CONNECT-projecten uitgevoerd in september 2023 bleek dat de netwerken volop aan het uitzoeken zijn hoe ze de heroriëntering van het CONNECT-programma inhoudelijk en organisatorisch kunnen aanpakken. Ze zoeken naar nieuwe partners om mee samen te werken en bekijken hoe ze de huidige werking kunnen uitbreiden of een volledig nieuw programma kunnen uitwerken met duidelijke linken naar het andere zorgaanbod binnen het netwerk. Speciale aandacht gaat uit naar zorgmijdende en zorgwekkende zorggebruikers.

Tijdens het onderzoek hadden de netwerken verschillende vragen en bezorgdheden. Enerzijds waren er inhoudelijke bezorgdheden, zoals: Hoe kunnen we een specialistische aanpak realiseren bij zo een brede doelgroep? Hoe kunnen we kwetsbare gezinnen bereiken op een moment dat een psychische problematiek bij de kinderen en jongeren nog maar mild aanwezig is? Anderzijds waren er veel organisatorische vragen over de heroriëntatie van CONNECT, zoals: Hoe kunnen we voldoende vroeginterventie voorzien als de vroegdetectie sterk moet worden uitgebreid? Hoe stemmen we CONNECT af ten opzichte van de eerstelijnspsychologische functie en 1 Gezin 1 Plan? De netwerken hopen over deze vragen en bezorgdheden verder in gesprek te kunnen gaan met de Vlaamse overheid.

Deze studie had tot doel evidence- en practice-based handvatten te geven aan zowel de GGZ-netwerken voor kinderen en jongeren als aan de opdrachtgevende overheid om vroegdetectie en vroeginterventie voor psychische problemen verder uit te bouwen. Vroegdetectie en vroeginterventie steeds beter realiseren is cruciaal om de grote negatieve impact van psychopathologie op ontwikkeling, welzijn en gezondheid stap voor stap te verminderen.

>> Het volledige rapport kan je lezen op de website van Steunpunt WVG.

Promotoren: dr. Evelien Coppens, dr. Kathleen De Cuyper  (LUCAS KULeuven)
Onderzoekers: Eva Claeys (LUCAS KULeuven)

1 LUCAS, Centrum voor Zorgonderzoek en Consultancy, KU Leuven