kinderen & jongeren

Trajecten van jonge kinderen (0-2 jaar) in de jeugdhulp

22.10.2024
Foto's
Florian Van Eenoo

Uit voorgaand onderzoek naar trajecten binnen de Niet Rechtstreeks Toegankelijke Jeugdhulp bleek dat van meer dan de helft van de kinderen tussen nul en twee jaar die instromen, het hulpverleningstraject drie jaar na de opstart van de hulp nog altijd doorloopt. Ook werd vastgesteld dat jonge kinderen die instromen in een Organisatie voor bijzondere jeugdzorg (OVBJ), vaak een korter traject hebben dat eindigt binnen het jaar, in vergelijking met
jonge kinderen in pleegzorg (PZ). 

et doel van dit onderzoek is om inzicht te verschaffen in waarom jonge kinderen geplaatst in een OVBJ, een korter traject blijken te hebben in vergelijking met jonge kinderen geplaatst in pleegzorg.

Om dit te onderzoeken werd nagegaan welke factoren geassocieerd zijn met uitstroom (een hereniging met de ouders) en welke de redenen voor plaatsing zijn. Er werd gepeild naar de finaliteit van de plaatsing ener werd nagegaan op welke manier er tijdens de plaatsing met de ouder(s) gewerkt werd. Hiervoor werden interviews afgenomen met een hulpverlener die het jonge kind goed kende. In totaal werden 54 dossiers bevraagd, waarvan twaalf kinderen verbleven in een OVBJ en 42 kinderen binnen pleegzorg.

Uit dit onderzoek blijken een aantal interessante verschillen tussen jonge kinderen die geplaatst worden in pleegzorg en jonge kinderen die geplaatst worden in een OVBJ. Het betreft verschillen in geslacht, verschillen in uitstroom en hereniging met de biologische ouders, verschillen in de redenen die aan de basis liggen voor de uit huis plaatsing van een jong kind, verschillen in de gestelde doelen tijdens plaatsing, verschillen in de contacten tussen hulpverleners en de biologische ouders en verschillen in de ouder-kind contacten.

Uit de analyses blijkt dat het type hulpverlening waarin een kind verblijft - PZ of een OVBJ - niet bepalend is voor een snellere uitstroom en/of hereniging met de biologische ouders. Welke doelen er tijdens de plaatsing gesteld worden en wat de redenen zijn van plaatsing zoals die gepercipieerd worden door de huidige betrokken hulpverlener blijken daarentegen wel bepalend voor een snellere terugkeer naar huis.

Het volledige rapport met de resultaten lezen? Dat kan op de website van het Steunpunt WVG. 

Onderzoeker: Nienke Derkoningen (VUB)
Promotor: Prof. dr. Johan Vanderfaeillie (VUB)