'Het referentiekader helpt iedereen kwalitatief te werken'

Zorg- en onderwijsinspectie werken samen voor NAFT

Er bestond al langer regelgeving rond NAFT, maar begin maart werd ook het referentiekader voor NAFT-kwaliteit officieel voorgesteld. Hilde De Nil (Zorginspectie) en Regine Vandervee (Onderwijsinspectie) waren nauw betrokken bij het ontstaan van dit kader, samen met hun collega’s Vera Timmers en Hilde Ooms.

Toen in 2018 werd gestart met NAFT, was uiteraard ook kwaliteitstoezicht nodig. Omdat NAFT een samenwerking is tussen Onderwijs en Welzijn, werd beslist dat de Onderwijs- en Zorginspectie dit samen zouden opnemen. “Wij zijn toen begonnen met kennismakingsbezoeken bij de verschillende NAFT-aanbieders”, vertelt Hilde De Nil van Zorginspectie. “Maar de regelgeving rond NAFT bleek te vaag en te beperkt om zo’n diverse sector goed te kunnen beoordelen. Dus hebben wij vanuit de inspectiediensten gevraagd om een referentiekader te maken dat bepaalt wat een goede NAFT-werking nu eigenlijk is. De sector van NAFT-aanbieders was trouwens zelf ook vragende partij: ook zij wilden graag weten aan welke voorwaarden hun werking moet voldoen om kwalitatief te zijn. Maar hoe ze dat precies aanpakken, blijft uiteraard hun eigen keuze: het is niet de bedoeling om te raken aan hun autonomie.”

In het najaar van 2018 is iedereen in actie geschoten, vertelt onderwijsinspecteur Regine Vandervee. “Vanuit de Onderwijsinspectie hebben wij al veel ervaring met zulke referentiekaders, we maakten ze onder meer al voor scholen, CLB’s en internaten. En we weten hoe belangrijk het is dat zo’n kader door alle betrokkenen wordt gedragen. Het moet echt een co-creatie zijn. Daarom zijn we aan de slag gegaan met een werk- en stuurgroep met alle stakeholders: leden van beide inspecties, maar ook het agentschap Opgroeien, het departement Onderwijs en uiteraard een ruime afvaardiging van NAFT-aanbieders. In focusgroepen kwamen ook scholen en CLB’s aan het woord én we hebben ten slotte ook de jongeren zelf uitgebreid bevraagd.”

Klemtoon op samenwerking

Zoveel stakeholders bij elkaar, elk met hun eigen aandachtspunten en visies: dat moet toch geregeld botsen? Helemaal niet, klinkt het bij de inspecteurs. “Eigenlijk waren er opvallend veel gelijkenissen tussen de verschillende betrokkenen, met veel begrip voor elkaars werking”, vertelt De Nil. “Natuurlijk zie je soms bepaalde ‘cultuurverschillen’: in de zorgsector wordt bijvoorbeeld ander jargon gebruikt dan in het onderwijsveld. Maar die verschillen zijn net verrijkend en inspirerend. Beide domeinen hebben hun eigen expertise en vullen elkaar aan. In het referentiekader ligt dan ook een zeer sterke klemtoon op samenwerking, met respect voor de expertise en rol van elke partner.” 

Ook Vandervee benadrukt de constructieve houding van alle betrokkenen. “Iedereen heeft hetzelfde doel: goede, laagdrempelige en snelle hulp voor kwetsbare jongeren die dreigen uit te vallen op school. In de NAFT-sector leefde er wel bezorgdheid. Zouden ze hun bestaande aanbod – de vroegere time-outs en persoonlijke ontwikkelingstrajecten bijvoorbeeld – wel kunnen behouden en zouden de meest kwetsbare jongeren niet uit de boot vallen? En er kwamen ook enkele uitdagingen naar boven. Zo is het ook een doelstelling van NAFT om scholen te ondersteunen. Maar hoe zorg je ervoor dat dat altijd gekoppeld blijft aan een jongere of een groep jongeren, en dat het niet louter vorming van leerkrachten wordt?” En ook de vraag naar transparantie bleek een uitdaging, vertelt De Nil. “De CLB’s, die jongeren aanmelden voor NAFT, willen graag weten waarvoor ze precies bij welke aanbieder terechtkunnen. Maar anderzijds wordt verwacht dat de aanbieders heel maatgericht werken. Dat blijft een moeilijk evenwicht.”

Luisteren naar de jongeren

Maar het is natuurlijk ook cruciaal om te luisteren naar de jongeren zelf. “We zijn met groepjes jongeren gaan praten die al ervaring hadden met NAFT”, vertelt De Nil. “Ook zij waren zeer positief. Ze geven aan dat ze bij NAFT veel hebben geleerd: in groep werken, op tijd komen, beter communiceren, een CV opstellen, ‘serieus’ werken of omgaan met agressie. Maar vooral de positieve aandacht die ze kregen, vonden ze heel waardevol. Ook de contacten tussen NAFT en school vonden ze zeer belangrijk en ze gaven aan dat ze hier zeker bij aanwezig wilden zijn.”

Het referentiekader is intussen afgewerkt, maar daarmee stopt het werk niet. “De NAFT-sector kan hier nu verder mee aan de slag”, vertelt Vandervee. “Ze kunnen onder meer bekijken hoe dit kader past in hun bestaande systemen en hoe het hun werking kan ondersteunen.” Het kan ook een hulpmiddel zijn om concrete richtlijnen op te stellen. “Hoe ga je bijvoorbeeld om met jongeren die niet komen opdagen? En er wordt ook een draaiboek opgesteld voor de samenwerking tussen CLB en NAFT-aanbieders.” Maar ook voor de inspectiediensten zit het werk er nog niet op. “Met dit referentiekader en de regelgeving gaan wij nu aan de slag om een toetsingskader voor NAFT op te stellen, waarmee we dan effectief aan de slag kunnen tijdens onze inspecties”, legt De Nil uit. “Daar zijn we nog volop mee bezig. Binnenkort gaan we dat ook aftoetsen op de werkvloer, waardoor we hopelijk vanaf september 2021 met onze inspecties kunnen beginnen.”

Foto's
Bas Bogaerts