Hoe introduceren we kinderen in de stedelijke cultuur?

Weg met madurodam

Een speeltuintje hier, een skatepark daar en hop: je stad is kindvriendelijk. Zo werkt het dus niet, weet Sven De Visscher (HoGent). Hij doet al jaren onderzoek naar kindvriendelijke steden. “We moeten kinderen net leren omgaan met het complexe en onaangepaste aspect van steden.”

Hoe zou je een kindvriendelijke stad definiëren?

Sven De Visscher: “Dat is de centrale vraag natuurlijk (lacht). Maar helaas is het moeilijker dan je zou denken. De meest gekende en gedeelde definitie komt van UNICEF. In realiteit is ze iets uitgebreider, maar grofweg komt het hierop neer: een stad die op lokaal niveau inzet op het implementeren van kinderrechten. Dat is natuurlijk nogal vaag. En eigenlijk zou je er bijna elke vorm van jeugdbeleid mee kunnen verantwoorden. Steden vervallen nogal snel in de hoe-vraag. Ze zoeken een kindersecretaris, stellen een kinderburgemeester aan, organiseren een kinderfestival. Terwijl de cruciale vraag is: wat wil je ermee bereiken?”

Spontaan denk je natuurlijk aan speeltuintjes en skateparken.

“Dat is ook logisch, door het dominante kindbeeld in onze samenleving. We zijn sterk beïnvloed door de Romantiek: kinderen zijn van nature goed en onschuldig, maar door onze maatschappij loopt het fout. Die manier van denken heeft een heel beschermende pedagogiek voortgebracht: we moeten kinderen afschermen van alle gevaar, zeker in de stad. Daarom hebben we een kinderuniversum gecreëerd, met scholen, kinderopvang en dus ook speeltuinen. Zeker in grootsteden zijn die vaak omheind, met één poortje waar ouders hen kunnen oppikken. Begrijp me niet verkeerd. Er is zeker ruimte nodig voor speeltuinen in de stad, maar een kindvriendelijk beleid draait om meer dan dat.”

Je waarschuwde eerder al voor ‘het syndroom van Madurodam’. Wat is dat precies?

“Madurodam is een soort Mini-Europa, maar dan in Nederland. Het is een typisch Hollands stadje, helemaal op kindermaat. En helaas ook de perfecte metafoor voor het kindvriendelijke beleid in sommige steden en gemeenten. Alles moet schattig, leuk, veilig en aangepast zijn. Dat staat in schril contrast met de stedelijke realiteit. Een grote stad is niet veilig en aangepast, wel integendeel. En daar moeten we kinderen ook mee leren omgaan. Een ander beeld dat ik graag gebruik is het ‘grote boze wolf-syndroom’. Vandaag heeft de stad die rol ingenomen. Veel volwassenen beschouwen haar als een onvoorspelbaar gevaar waartegen we kinderen moeten beschermen. Terwijl we hen beter zouden introduceren in de stedelijke cultuur, en echte medeburgers van hen maken.”

Hoe kan je van kinderen ‘medeburgers’ maken?

“Door hen inspraak te geven. Maar niet enkel over de kleur van de muur of de speeltoestellen. Dat heb ik genoeg gezien: mensen die naar kinderen toestappen met een catalogus. Kies maar uit! Daar leren ze niets van. We moeten vertrekken vanuit de leefwereld van kinderen, om samen te bouwen aan de stad van morgen. En dat kan je alleen doen door het gesprek aan te gaan. Niet alleen over wat zij leuk of stom vinden, maar over de stad op zich. Ik heb al vaak gemerkt dat kinderen spontaan moeilijke thema’s aansnijden: luchtvervuiling, economie, veiligheid, de opvang van kleinere kinderen. Zodra ze zich erkend voelen als medeburger, zijn ze bereid om op een diep niveau mee te denken.”

Maar dat lukt toch niet met kinderen van elke leeftijd?

“Toch wel. Al is dat geen rare vraag. Veel steden worstelen met twee groepen: de allerjongsten en de tieners. Maar ik blijf geloven dat je met beide groepen een ruim gesprek kan voeren. Zolang je het gesprek maar afstemt op hun leefwereld. Vijfjarigen moet je niet bevragen over de heraanleg van een stadsplein. Maar zij hebben wel ideeën over hun school of de kinderopvang. Door hen daar van jongs af aan over aan te spreken, leren ze hun eigen mening te vormen, hun waarden en voorkeuren uit te spreken. En wat de tieners betreft: ook dat is een toffe en aanspreekbare groep. Al moet je bij hen niet afkomen met alleen vragen over hun school (lacht). Recent kregen we van de stad Gent de opdracht om bij tieners te peilen naar hun ideeën over burgerschap en respectvol samenleven. We zijn naar plekken gegaan waar tieners rondhangen – de bus en de tram, de schoolpoort, de winkelstraat – en hebben hen filmpjes getoond rond die thema’s, gemaakt door leeftijdsgenoten. De meesten wilden meteen meewerken en waren duidelijk verrast. Ze zijn het niet gewend  aangesproken te worden door het stadsbestuur. Vandaar nogmaals mijn oproep: betrek de jeugd van kindsbeen af bij het beleid. Toon hen dat hun stem telt en dat ze zelfs medeverantwoordelijk zijn.”

Tot slot: zijn onze Vlaamse steden en gemeenten goed bezig?

“Dat vind ik wel. Het is zeker positief dat er meer aandacht is voor kindvriendelijk beleid. In sommige steden, zoals Gent, doen ze echt hun best om een breder proces rond jeugdbeleid uit te bouwen. En op andere plaatsen zie ik veel goede intenties, maar is het beleid nog aan het zoeken. Het is niet eenvoudig om de stap te zetten naar burgerschap. Daarom is de uitdaging volgens mij een betere ondersteuning. Er is al goed basismateriaal, van Kind en Samenleving bijvoorbeeld. En ook de hogescholen bieden ondersteuning. Maar het kan nog beter.”

Foto's
Jan Locus
Tags
131