Naar minder werkdruk voor huisartsen en meer toegankelijkheid voor patiënten
Veel mensen hebben geen vaste huisarts. Sommige artsen hebben zelfs een patiëntenstop. Huisartsen zelf klagen over toenemende werkdruk. Daarom deed het Departement Zorg van de Vlaamse overheid in 2024 een oproep voor innovatieve projecten om huisartsenpraktijken op een efficiëntere manier te organiseren. Zeven projecten in verschillende regio’s onderzoeken nu twee jaar lang op welke manieren dat kan.
Imke Pichal, zorgstroomcoach bij Domus Medica, coacht de zeven projecten en zorgt dat hun kennis en informatie gedeeld worden. Domus Medica is de grootste huisartsenvereniging van Vlaanderen. Ze verdedigt de belangen van huisartsen en ondersteunt hen met kennis. Met projecten speelt Domus Medica in op concrete noden, zoals nu met de toegankelijkheid van huisartsen, het afstemmen van het aanbod op de vraag, en de verlaging van de werkdruk voor artsen. Domus Medica trok samen met partners als Vivel en VVSG aan de alarmbel na de melding van een stijgend aantal patiëntenstops en klachten over hoge werkdruk. Wat de innovatieve projecten dan exact onderzoeken? “Wat hebben huisartsen bijvoorbeeld nodig om hun praktijk anders te kúnnen organiseren? Welke zorgen en drempels ervaren ze?”, steekt Imke van wal. “Een aspect daarvan is Vlaamse en federale regelgeving waarop huisartsen botsen. Elk project heeft drie verplichte projectpartners: een huisartsenkring, een eerstelijnszone en een lokaal bestuur. In de begeleidingsgroep zijn VVSG, Vivel, Domus Medica, het ICHO, KPMG en uiteraard het Departement Zorg actieve partners. We willen dat het een breed gedragen verhaal wordt.”
Vicieuze cirkel
Een andere kwestie is de ongelijke verdeling van huisartsen over het land. “We merken bijvoorbeeld dat universiteitssteden waar de opleiding huisartsengeneeskunde wordt gegeven meestal voldoende artsen hebben. Mensen studeren daar geneeskunde en blijven er na hun studies hangen”, legt Imke uit. “De ongelijke verdeling zorgt voor een vicieuze cirkel. In regio’s waar er voldoende huisartsen zijn, is het aangenamer om te werken. Daar heb je als arts tijd om extra zaken te doen of je af en toe bij te scholen. Nieuwe huisartsen zullen zich graag in een praktijk in die regio’s vestigen. Zo worden huisartsarme regio’s armer en huisartsrijke regio’s rijker.” Kunnen we jonge artsen doen verhuizen naar regio’s waar ze nodig zijn? “Dat is complexer dan het lijkt. Artsen hebben soms al kinderen wanneer ze afstuderen. Ze willen dus graag wonen waar goede kinderopvang is, onderwijs en betaalbare woningen. Vast staat dat er geen toveroplossing is. Net daarom is het zo zinvol dat zeven projecten heel bottom-up, vanuit de huisartsen, hierop kunnen werken. Centraal staat het belang van verandering en het erkennen van de uitdagingen die hierbij komen kijken. Mensen moeten hun – soms jarenlange – manier van werken aanpassen en dat vraagt gerichte aandacht, dat gebeurt niet zomaar automatisch.”
Bijkomend staan we voor een aankomende pensioengolf, die vooral een probleem vormt in de landelijke gebieden waar er nog heel wat solo-artsen zijn met veel patiënten. “Vaak zijn het huisartsen wiens partner de administratie verzorgt, waardoor de arts zelf veel uren kan kloppen. Hun patiënten zullen binnenkort ‘op straat te staan’. Jongere artsen gaan vaker voor een goeie work-lifebalance, in een groepspraktijk, waar ze makkelijker vakanties en ouderschapsverlof kunnen regelen. Het is dan niet altijd evident om die patiënten te verdelen over de nieuwe huisartsenpraktijken.”
Lokale besturen en regelgeving
Wat kan een lokaal bestuur hierin betekenen? “Het welzijn van de inwoners is een belangrijke taak van een lokaal bestuur”, vindt Imke. “Elke gemeente heeft wel een dienst voor jeugd en voor vrije tijd. Maar gezondheidsambtenaren zijn er bijna niet. Zo’n ambtenaar zou burgers kunnen sensibiliseren wanneer je naar de dokter gaat en wanneer niet, om de werkdruk van de artsen te helpen verlichten. Maar die kan ook aanspreekpunt zijn voor bijvoorbeeld een huisartsenkring om samen te werken aan huisartsentoegankelijkheid. Informatiedoorstroming tussen lokale besturen en huisartsen, via de huisartsenkring, over nieuwe verkavelingen en hoe daarin huisartsenpraktijken een plek kunnen krijgen: dat kan bijvoorbeeld een quick win zijn. Dat lijkt eenvoudig, maar het gebeurt nog te weinig. Er kan proactiever en analytischer gewerkt worden.”
Een van de projecten werkt een externe, coöperatieve verpleegpost uit. Huisartsen kunnen er een beroep op doen voor bloedafnames of de begeleiding van diabetespatiënten. Op die manier moeten ze in hun eigen praktijk geen verpleegkundige tewerkstellen. “Er speelt dan wel wat regelgeving rond onder andere premies mee, en nog wat zaken die het soms wat ingewikkeld kunnen maken. Gelukkig volgt het Departement Zorg in ons projectteam en in de begeleidingsgroep alles van zeer nabij op, zodat die als brug naar het beleidsniveau kan fungeren. Alle functies zijn nodig om deze puzzel te leggen, van de werkvloer tot de minister.”
Sabien Van Rampelberg is coördinator Healthcare Management aan de Odisee Hogeschool. Ze onderzoekt mee hoe de toegankelijkheid van huisartsen verbeterd kan worden in de regio rond Aalst. “Na een literatuurstudie om het probleem en de mogelijke oplossingen te omschrijven, ondernamen we meteen al een aantal acties. Sommige huisartsen zullen een beroep doen op een telesecretariaat om de administratie te regelen. Een andere praktijk zal een verpleegkundige inschakelen om taken over te nemen. Andere artsen zullen zich verenigen zich in een groepspraktijk en bekijken hoe ze best kunnen samenwerken.”
Triage en zelftriage
“Een goed triagesysteem zou ook kunnen helpen”, denkt Sabien. “In Vlaanderen kennen we dat niet – of toch niet overal op dezelfde manier – maar in Nederland bestaat er al een landelijk gevalideerd triagesysteem. Assistenten kunnen je als patiënt dan bijvoorbeeld vertellen dat de huisarts je een voorschrift zal bezorgen. Of dat je rechtstreeks advies kan vragen aan een apotheker, dat je bij de verpleegkundige terechtkan, dat je dringend bij de arts moet komen, of dat het nog wel even kan wachten en dat je twee dagen later een afspraak krijgt. Artsen moeten dan wel vertrouwen hebben in wie de triage doet of in de verpleegkundige die taken op zich neemt. Ze moeten er ook op vertrouwen dat die medewerkers de raad van de arts inroepen als het nodig is.”
Zelftriage hebben we in Vlaanderen nog niet allemaal onder de knie. “Niet alle patiënten hebben voldoende gezondheidsvaardigheden. Ook daarvoor kunnen we een blik over de grens werpen. Nederland werkt met de vragenlijst ‘Moet ik naar de dokter?’. Dat systeem wordt bij ons ook uitgetest in verschillende eerstelijnszones. Mensen moeten dan de reflex krijgen om naar de lijst te kijken of naar de richtlijnen op Gezondheid en Wetenschap. Zo kan je misschien gewoon thuis uitzieken of nog even afwachten om een dokter te consulteren.”
Quota voor huisartsen werden al opgetrokken, maar een specialist die geen werk vindt – die bestaan – zou ook geheroriënteerd kunnen worden naar huisartsgeneeskunde. Dat blijkt in de praktijk niet zo makkelijk, legt Sabien uit: “Specialisten die zich tot huisarts willen omscholen moeten nog twee jaar extra opleiding volgen. Dat verfijnen en beter afstemmen op de competenties die de arts al heeft, zou ervoor zorgen dat er sneller huisartsen kunnen bijkomen. Maar zo’n assessment opstellen vraagt veel inspanning, en individuele programma’s opstellen ook. Een geriater heeft een van de langstlopende opleidingen, maar heeft geen pediatrie of verloskunde in zijn programma gehad. Die kunnen misschien wel snel huisarts worden. Misschien kunnen ze meelopen op de werkplek en al doende leren? Of in een groepspraktijk enkel de oudere patiënten behandelen? Er zijn verfijnende mechanismen mogelijk.”
Het imago van de huisarts
Topdokters op tv geven een specialisten een heldenprofiel, mensen kijken naar hen op. Hebben huisartsen misschien een wat saaier imago? “Terwijl het zo’n dynamische en gevarieerde job is”, vindt Sabien. “Je betekent echt iets voor de patiënt en bij uitbreiding voor zijn gezin. Het is een magere troost dat zo goed als alle Europese landen met gelijkaardige problemen te kampen hebben: hoge werkdruk, zoeken naar work-lifebalance, de pensioengolf, het lagere loon in vergelijking met dat van specialisten. Het beroep mag een beetje sexy gemaakt worden, vind ik. Er zou een goed rolmodel mogen opstaan. We kennen allemaal een paar namen van specialisten, maar er zijn weinig of geen bekende huisartsen. Terwijl huisartsen ook mee onderzoek ondersteunen en academisch werk doen. Dat is weinig geweten. Hoe meer ik het beroep leer kennen, hoe mooier ik het begin te vinden”, besluit Sabien.
Werkgeluk is van belang
Alice Traen van de huisartsenkring HABO Brugge coördineert het project in haar regio. “We onderzoeken op dit moment hoe het delegeren van managementtaken tijd kan vrijmaken om meer met de patiënt bezig te zijn. Maar de praktijken bepalen wel zelf wat ze willen uitbesteden en wat niet. We voelen dat de dokters in onze regio klaar zijn om het ‘huisarts zijn’ op een andere manier te bekijken. Hoe kan je je als huisarts organiseren in een groepspraktijk? Moet je dan mensen in dienst nemen? Of kan het met externe partners die administratie en secretariaat ondersteunen? Als we erover praten, merken we dat het heel wat losmaakt. We proberen nu alle taken die huisartsen achter de schermen doen te benoemen, en proberen te ontdekken of ze die al dan niet interessant vinden. Want werkgeluk is het allerbelangrijkste. Heb jij die afwisseling tussen zorgen en managementtaken nodig om gelukkig te zijn als huisarts? Prima, dan heb je waarschijnlijk geen externe hulp nodig. Maar weet dat het kan als het je kan helpen, als je echt geen tijd hebt om alles zelf te doen.”
Uit hun onderzoek blijkt dat de huisartsen in de Brugse regio nu al heel wat werk uit handen geven, van verpleegkundige tot administratieve taken. “Dat betekent wel dat er meer nadruk komt te liggen op de zwaardere zorgtaken en de organisatorische taken. Als we die laatste ook nog wegnemen, blijven enkel de zware zorgtaken over. We moeten ons afvragen of we dan echt de werkdruk aan het verlagen zijn”, aldus Alice. “Het leuke aan het beroep is net de afwisseling. We geloven dat taakdelegatie een stuk van de oplossing is om meer patiënten te kunnen zien. Op voorwaarde dat het past bij wie erbij betrokken is.”
Op dit moment ligt het in het West-Vlaamse project de focus op Blankenberge. “We hopen dat er zoveel mogelijk Blankenbergse huisartsen meedoen met ons project. Er zijn drie stappen. We beginnen met een praktijkscan om alle mogelijke taken in een praktijk op te lijsten. We onderzoeken hoeveel tijd en geld alles kost, zodat we meer inzicht krijgen in de werking. Vervolgens gaan we de taken waarderen: wat loopt er goed, wat niet? Tot slot zullen we toepassen wat we vastgesteld hebben, door taken uit te besteden en op die manier tijd vrij te maken voor patiënten. We zullen dat alles moeten uitleggen aan artsen, maar zeker ook aan patiënten. Als we bij iedereen begrip kunnen opwekken, kunnen we tot een beter systeem komen. We delen onze bevindingen met de andere deelnemende projecten en in een latere fase nog ruimer over heel Vlaanderen. We merken dat mensen ermee aan de slag gaan. Op die manier zetten we stappen in de richting van meer toegankelijke huisartsenpraktijken.”