De strijd tegen armoede is een keuze

Bea Cantillon over de staat van de samenleving

We leven in een welvarend land met kansen voor iedereen. Maar wat gebeurt er wanneer je die kansen niet ten volle kan benutten of wanneer je pech hebt? En heeft pech hebben dezelfde gevolgen als vroeger? Bea Cantillon (UA) ziet de ongelijkheid toenemen, maar is ook hoopvol gestemd. We kunnen namelijk beslissen om er iets aan te doen.

Over armoede of sociale kwesties heeft iedereen wel een mening, maar gelukkig wordt er ook onderzoek verricht dat duidelijke cijfers oplevert. Bij het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (UA), waarvan Bea Cantillon directeur is, komen die onderzoeken in grote getalen op tafel. Ze geven een scherp beeld van de samenleving en tonen ook hoe die samenleving is veranderd. De armoede tout court heeft een andere vorm aangenomen en heeft zich, ondanks alle welvaart en vooruitgang, hardnekkiger genesteld in onze samenleving. Dat was ook de teneur van De staat van de welvaartsstaat, het boek dat Cantillon twee jaar geleden publiceerde: we slagen er niet meer in om armoede en ongelijkheid bij de lager geschoolde bevolking terug te dringen. Hoe heeft ze die ontwikkeling zelf ervaren?

Bea Cantillon: “Ik zeg soms badinerend dat ik 40 jaar geleden begonnen ben met het tellen van het aantal armen. Op dat moment was er geen instrumentarium. Er waren geen cijfers. We wisten zeer weinig. Midden jaren zeventig, begin jaren tachtig bestond er een sterk geloof in de mogelijkheden van de sociale zekerheid om vooruitgang te boeken in de strijd tegen ongelijkheden en armoede. Dat geloof volgde uiteraard wat er in de goede jaren na de Tweede Wereldoorlog was gebeurd. In de jaren vijftig en zestig werd de moderne welvaartsstaat ontwikkeld. Mensen uit die generatie waren er rotsvast van overtuigd dat de sociale zekerheid een kracht bezat die het mogelijk maakte om vooruit te gaan. Mijn leermeester wijlen Herman Deleeck deelde dat geloof. Ik ben een artikel aan het schrijven waarin de Australische sociale zekerheid ter sprake komt en ik heb ontdekt dat er ook een Australische Herman Deleeck bestond. Met andere woorden, het armoedeonderzoek heeft zich internationaal in die periode ontwikkeld. Overal begon men data te verzamelen en instrumenten te maken.”

Vroeger was het beter?

“Nee, Deleeck en zijn tijdgenoten deelden dat sterke geloof in de kracht van de overheid. Maar ze beseften dat die instrumenten er toen al niet in slaagden om de mazen van het net volledig te dichten. Het huidige leefloon heette toen het bestaansminimum en was bij wijze van spreken de kers op de taart van het hele systeem. Het idee was eenvoudig. We hebben die sociale verzekering, maar er zijn altijd mensen die uit de boot vallen. Voor hen spannen we een groot vangnet, het bestaansminimum, een subjectief recht voor iedereen op een behoorlijk minimuminkomen. Dat was de tijdgeest op het moment dat ik de fakkel heb overgenomen.”

“Ik ben, en mijn generatiegenoten met mij, die overtuiging blijven volgen. Als we de instrumenten voldoende efficiënt maken en goed genoeg ons best doen, dan komen we er wel. Ik ben me na verloop van tijd beginnen te realiseren dat er geen vooruitgang te zien is op veertig jaar tijd. Dat inzicht is nog scherper sinds we jaarlijkse statistieken hebben. Ik zeg soms tegen mijn jongere collega’s dat ze binnen dertig jaar nog steeds stabiele of licht slechtere cijfers zullen noteren, en dat ze nog steeds zullen kunnen herhalen dat de minima de Europese armoedegrens moeten halen. Dat kan toch niet? Als je dat moet vaststellen, dat de toekomst zo voorspelbaar lijkt, dan is er toch iets structureels mis? Er klopt iets niet met ons denkkader. Ik ben op dat punt aanbeland door jarenlang vergelijkend onderzoek te doen tussen landen.”

“Vooruitgang is er niet, zeker niet aan de onderkant. De taart die we kunnen verdelen is wel degelijk groter geworden. Er zijn nog nooit zoveel mensen aan het werk geweest. Maar als werk de beste remedie is tegen armoede, hoe komt het dan dat we de armoede niet verder kunnen terugdringen? Als je de zaak bekijkt langs de kant van herverdeling, moet je ook lastige vragen stellen. De sociale uitgaven zijn in omvang niet meteen verminderd, integendeel, de uitgaven zijn gestegen. Als je die drie parameters naast elkaar zet (de te verdelen taart, werk en wat er wordt verdeeld), dan krijg je een puzzel die tot nadenken stemt.”

“Het naoorlogse paradigma van groei, volledige tewerkstelling en sociale uitgaven door de overheid functioneert nog wel, maar als instrument is het vandaag onvoldoende sterk om de onderkant mee te krijgen. We moeten dus het naoorlogse paradigma van de welvaartsstaat in vraag stellen.”

Als we dan iedereen willen meekrijgen, hoe pakken we dat dan aan?

“De armoede neemt niet echt toe, maar we maken geen vooruitgang meer en de onderkant van de samenleving staat onder druk. Bij laaggeschoolden neemt de armoede wel degelijk toe, en dat is overal zo, niet alleen in België. Er is een groep mensen die geen aansluiting meer vindt bij de nieuwe economieën. Daarbij komen nog problemen die te maken hebben met gezinsdestabilisering, waarvoor de klassieke instrumenten van sociale verzekering niet meer adequaat werken.”

Vindt u dat dit besef over de stand van armoede voldoende is doorgedrongen tot de publieke opinie?

“Nee, zeker niet.”

Volstaan het pakket maatregelen dat vandaag tegen armoede in stelling wordt gebracht?

“Nee. Het is zelfs niet alleen een probleem van de publieke opinie, maar ook van de academische wereld. In mijn discipline kijken onderzoekers naar de structurele mechanismen van herverdeling en naar de arbeidsmarkt. We verzamelen gegevens en maken vergelijkingen tussen landen. Dan kom je uiteraard te weten dat wij het bijvoorbeeld beter doen dan de Verenigde Staten. Ja, maar we zitten op verschillende niveaus wel op hetzelfde spoor als de Verenigde Staten en dat hebben we onvoldoende door.”

“We voelen allemaal wel dat er iets schort. Daarom duiken er ideeën op zoals het basisinkomen. Een oud idee dat ook weer terug zal verdwijnen hoor, maar het feit dat het zo prominent opduikt betekent iets. Het ACV spreekt over basisbanen, een baan voor werklozen die na twee jaar zoeken nog geen job hebben gevonden. Dat gaat terug op hetzelfde inzicht: we komen er niet met de klassieke instrumenten. Uiteraard hebben we ook nieuwe instrumenten gemaakt, zoals de werkbonus, die echt wel een nieuwe wending heeft gegeven aan ons systeem (de werkbonus garandeert dat wie een laag loon heeft, toch een netto-inkomen ontvangt dat hoger is dan wat ze als werkloze zouden krijgen, zonder daarbij het brutoloon te verhogen, n.v.d.r.). Met de werkbonus subsidiëren we werk, en dat is nieuw. Dat instrument maakte geen deel uit van het naoorlogse pakket. Vandaag betalen we wel degelijk jobs. Bij ons is de werkbonus nog relatief klein, in andere landen heeft ze al een veel groter volume aangenomen. Ongetwijfeld zal de werkbonus ook bij ons in de toekomst verder ontwikkeld worden. Het is een antwoord op de veranderingen van de arbeidsmarkt die je niet kan opvangen met de klassieke mechanismen van sociale verzekering en bijstand.”

Er gebeuren wel meer onverwachte dingen vandaag. Zoals de overtallige of oudere werknemers van een bank als ING die aangemoedigd worden om als zijinstromer aan de slag te gaan in de welzijnszorg.

“Dat is voor een deel toch onze toekomst. Zeker als je de grote bewegingen bekijkt op de arbeidsmarkt die samenhangen met technologie en globalisering. Vroeger waren we een samenleving met een aanzienlijke hoeveelheid landbouwers. Wel, hun aantal is verschrompeld. We waren ooit ook een samenleving met bijzonder veel arbeiders. Wel, ook hun aantal is fel teruggelopen. Vervolgens zijn we lang een diensteneconomie geweest. In de jaren zeventig, tachtig en negentig stelden banken en verzekeringsbedrijven enorm veel mensen te werk. Vandaag zien we dat ook de tewerkstelling in deze sectoren verminderd. Die tertiaire sector is aan het verschuiven naar de quartaire sector, de zorg. Dat is op zich een zeer positieve ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid. We moeten ons niet meer bezighouden met het land om te ploegen. We moeten ons niet meer bezighouden met kolen te kappen. We moeten ons niet meer bezighouden met boekhouden. Door technologie krijgen we ruimte om andere dingen te doen, met name zorgen voor elkaar. Dat is een fantastische ontwikkeling, maar we erkennen haar nog niet. We zitten nog altijd met de overtuiging dat we vooral jobs moeten creëren in de private sector, op de reguliere arbeidsmarkt, met wat subsidies hier en daar, en vooral veel lastenverlagingen. Terwijl we eigenlijk de beweging moeten maken naar zorg, zorg, zorg – wat ook in de private sector kan overigens.”

“Die verschuiving naar de quartaire sector is een goeie ontwikkeling voor al wie zorgbehoevend is, maar ook voor zorgverleners. Het is veel zinvoller om voor iemand te zorgen dan cijfertjes te tellen in een anoniem bedrijf. Daar worden we allemaal beter van.”

Dat lijkt geen populaire boodschap, omdat de nadruk in de publieke debat toch nog heel sterk wordt gelegd op die industriële jobs. We vinden jobs in de zorg minder waardevol.

“Zorg moet je ook breder zien dan de welzijnssector. Het gaat ook om leraars of om cipiers. Die jobs staan inderdaad helaas minder hoog aangeschreven, maar we proberen er wel wat aan te veranderen. We hebben intussen begrepen dat het beroep van leraar aantrekkelijker moet worden. Dat zijn hoopvolle tekenen. De beweging die we nu beschrijven zal decennialang duren. We zullen er onze toekomst mee vullen.”

Is het denkbaar dat we vandaag, gebruikmakend van good practices, onze medeburgers aan de onderkant van de samenleving betere perspectieven bieden?

“We moeten optimistisch naar de samenleving kijken. De sociale economie is bijvoorbeeld erg belangrijk. Het is een sector met een enorm groot potentieel. In de sociale economie brandt het heilige vuur: er wordt veel geëxperimenteerd en getest. Ook daar zal het van moeten komen, als we die sector voldoende ruimte geven.”

Eigenlijk zegt u ook: de tijd is gedaan dat we in onze postindustriële samenleving met mechanische ingrepen, zoals na de Tweede Wereldoorlog, de sociale ontwikkeling verder zetten.

“Zo is het niet meer. De kwaliteit van de samenleving moet verbeteren. Dat doe je niet meer door eenvoudige mechanismen te bouwen en die af en toe goed te smeren. Sociale verzekering blijft essentieel, maar er is meer creativiteit nodig.”

Verandert die ontwikkeling ook de verhouding tussen burgers en overheid?

“Ja, de overheid moet een richting aangeven, maar moet ook veel ruimte laten voor initiatieven en experimenten. Dat is nog niet voldoende doorgedrongen, noch bij politieke partijen, noch bij traditionele sociale bewegingen.”

Het geloof in instellingen is groter dan het vertrouwen in het engagement van individuen?

“Er wordt wat meewarig naar gekeken, naar die sociale innovatie. Ik heb dat vroeger ook gedaan, hoor. Omdat het niet paste in mijn denkkader. In 1984 werd ik voor het eerste geconfronteerd met de voedselbank, in mijn plaatselijke Delhaize. Ik kreeg een zakje om te vullen. Dat vond ik choquerend. Het paste niet in mijn beeld van de West-Europese welvaartsstaat. Intussen zijn de voedselbanken alleen maar gegroeid. Naar aanleiding daarvan zie je heel wat andere dingen ontstaan: sociale kruideniers bijvoorbeeld. Die doen op kleine schaal ook aan gemeenschapsvorming en empowerment. De goegemeente zegt dan dat die initiatieven te kleinschalig zijn: daar gaat het niet van komen. Ik ben daarover toch van gedacht veranderd: we hebben die kleinschalige initiatieven broodnodig, naast de grote instrumenten die de welvaartsstaat schragen.”

“De verandering zal van onderuit moeten komen. Wie uit de boot valt, staat zwak op verschillen punten. Die mensen hebben omkadering en zorg nodig.”

Staat dat niet in wat in contrast met de evolutie van de welzijnszorg, die zich ontwikkelt in functie van de autonomie van het individu?

“Vermaatschappelijking van de zorg vertrekt eigenlijk van die autonomie. Je moet mensen verzelfstandigen en uit de grote structuren halen. Je hebt ook het persoonlijk assistentiebudget (PAB). Beide ontwikkelingen hebben veeleer te maken met mensen die sterk staan en die autonomie kunnen opnemen. En dat is goed. Maar het is geen antwoord op de problematiek van mensen die kwetsbaar zijn. Daar heb je dat spanningsveld tussen de vermaatschappelijking van de zorg en de zwakkeren die niet in staat zijn om zorg in te kopen of erover te beslissen. We moeten er wel op letten dat we die kwetsbaarheid een plaats blijven geven.”

Wat betekent dat voor instellingen?

“Wel, instellingen zijn beter in staat om met kwetsbaarheid om te gaan. Ze kunnen zich organiseren. Individuen moeten te veel aan het toeval overlaten. Structuren bestaan ook al heel lang, hebben een traditie en ervaring. Dat kan je niet zomaar weggooien.”

Speelt de privatisering van zorg een rol in dat proces?

“Het debat over privatisering en zorg krijgt snel een ideologische kleur. Maar uiteindelijk zie ik toch niet zoveel van de grond komen. Het gros van de ouderenzorg zit bijvoorbeeld in de sociale sector. Je kan geen winst maken met zwakkere mensen. Die discussie is in Antwerpen gevoerd naar aanleiding van de daklozenzorg (eind 2016 werd besloten het beheer van een inloopcentrum voor daklozen uit te besteden aan bewakingsmultinational G4S, n.v.d.r.). Er werd toen een privébedrijf ingeschakeld dat uiteraard niet geïnteresseerd was in de zorg voor daklozen, maar wel in een aandeel in een nieuwe markt. Winst kan je er echter niet mee maken en dus hebben ze zich snel teruggetrokken. Ik zie die beruchte privatisering niet zo’n hoge vlucht nemen. Ook omdat we al structuren hebben en sterke sociale organisaties, zoals mutualiteiten. Het is moeilijk om daar de concurrentie aan te gaan, zie maar naar de zorgverzekering. Voormalig minister van welzijn Mieke Vogels wilde die zorgverzekering eigenlijk gebruiken om andere spelers op die markt te krijgen. Maar dat is niet gelukt. Mutualiteiten hebben een ziel. Privébedrijven kunnen die ziel niet zomaar nabouwen en kunnen het misschien hoe dan ook niet, want ze moeten aan rendement denken.”

De ideologische of zelfs levensbeschouwelijke laag in instellingen is toch flinterdun geworden? Maar zelfs dan, zegt u, heb je nog een surplus en doe je meer dan alleen maar professioneel gedrag vertonen.

“Ja, absoluut.”

Zou het, om een beter beeld te krijgen van hoe we zorg organiseren en hoe we over de toekomst kunnen denken, ook niet goed zijn om rond te kijken in Europa? Europese landen gaan heel verschillend om met de organisatie van zorg. In die mate dat we eigenlijk niet goed weten wat er gebeurt wanneer bijvoorbeeld in Groot-Brittannië de National Health Service (NHS) enorme gebreken vertoont.

“Die National Health Service is een onderdeel van de staat. Medewerkers zijn ambtenaren. De Britten hebben in hun systeem helemaal geen ruimte gelaten voor het brede middenveld, zoals bij ons. Er zijn wel meer kleinere initiatieven, de charities, die een buffer vormen..”

Wat maakt onze situatie dan zo uniek?

“De historische rol van katholiek geïnspireerde instellingen en politici. Op het moment dat we de moderne welvaartsstaat opbouwden, bestond er in ons land uiteraard al een groot netwerk van katholiek geïnspireerde instellingen. Ze hebben zich niet laten opslokken door de staat. Ze hebben zich ertegen verzet, zodat ons systeem een grote autonomie heeft ingebouwd. In het onderwijs is het ook zo gegaan. Het middenveld is in de structuren binnengeslopen. Daar zit de kracht van ons systeem: subsidiariteit.”

“De overheid kan niet alles organiseren. Beslissen hoe en hoeveel geld we herverdelen, dat kan de overheid wel. Zorg is een heel ander verhaal. Je mag en kan zorg niet centralistisch organiseren, anders krijg je Britse problemen. Zorg moet zo dicht mogelijk bij de mensen zitten. Dat veronderstelt uiteraard dat je sterke organisaties hebt en dat er vertrouwen is.”

Ons systeem werkt, maar de solidariteit staat wel onder druk.

“De solidariteit voor de zwakkere staat onder druk. Het maatschappelijke en politieke discours wordt heel sterk daarop toegespitst. Als mensen dan over solidariteit spreken, hebben ze het eigenlijk over langdurig werklozen, die slechts een fractie vormen. Zij zijn niet de grote kost. De zware kosten maken we in de pensioenen. Maar o wee wie daaraan probeert te raken.”

“Iedereen is betrokken bij die pensioenhervorming, maar het systeem is zodanig complex dat haast niemand begrijpt hoe het functioneert. Als je dan aan zo’n systeem begint te morrelen, dan is niemand tevreden. Je kan er als politicus alleen mee aan de slag als je over een stevige overtuiging beschikt. Het oponthoud dat we bij die hervorming ervaren is niet systemisch, maar hangt af van mensen en toevalligheden.”

Zijn we ons voldoende bewust van de nieuwe sociale kwesties die de samenleving voor uitdagingen plaatsen?

“Nee, we worstelen ermee. We benoemen die nieuwe sociale kwesties niet en weten er geen blijf mee. We denken nog steeds dat de markt wel voor voldoende jobs zal zorgen. Zolang je niet erkent dat dit paradigma niet meer werkt, krijg je van de weersomstuit een grotere druk op al wie niet mee kan en uit de boot valt. Dat is wat er vandaag gebeurt. Tegelijk worden er nog onvoldoende middelen vrijgemaakt om de noodzakelijke jobs te subsidiëren. Het gaat niet alleen om de dienstencheques – een systeem dat echt werkt. De lastenverlagingen zijn eigenlijk ook jobsubsidies, hoewel ze het niet zo noemen. We hebben nu die massa aan subsidies, maar waar gaat dat geld naartoe? Gaat dat geld naar jobs die zinvol zijn? Lastenverlagingen zijn immers blind. We weten niet wat ermee gebeurt. Kunnen we die subsidies misschien niet beter inzetten of meer kanaliseren? Met dienstencheques doen we dat: we kanaliseren middelen naar zorg in huishoudens. Maar we zouden ook middelen kunnen kanaliseren naar zorg in instellingen of in het onderwijs. Dat wordt de volgende stap.”

“Uiteraard is er een tekort aan verzorgenden, maar ook bij cipiers loopt het mis, een beroep dat door veel lager opgeleiden wordt uitgeoefend. En we hebben tegelijk een grote groep lager opgeleide mensen die geen werk hebben. Hoe komt het dat we dit niet opgelost krijgen? Het gaat niet op te zeggen dat er geen geld is. Hetzelfde is waar voor onze scholen, waar er duidelijk een groep kinderen zit met problemen, die meer zorg verdienen. Waarom kunnen we niet meer mensen daarvoor inschakelen? Waarom hebben we te grote kleuterklassen? De middelen zijn er. We hebben de tijd, want we moeten niet meer op het veld werken of kolen kappen. Heel lang geleden was er geen tijd om zorg te besteden aan psychiatrische patiënten, omdat mensen druk bezig waren met overleven. Vandaag kunnen we dat wel.”

“Het basisinkomen wordt vaak als stoplap gebruikt in discussies over jobverlies door technologisering. Algoritmes digitaliseren alles en dus, zo stellen veel techcommentatoren en -onderzoekers, moet dat basisinkomen de mensen sussen die hun werk kwijt zijn. Oké, maar om wat te doen? Om thuis met hun duimen te draaien? Als samenleving moet je sturing geven, je moet de richting aangeven naar een toekomst die een kwalitatiever leven biedt. Slimme individuen zullen altijd hun plan trekken, maar hun energie volstaat niet om de samenleving als geheel naar voren te stuwen. We moeten samenwerking stimuleren en iedereen een plek geven.”

 

 

 

Foto's
Jan Locus
Om commentaar te kunnen toevoegen moet u aangemeld zijn of indien u nog geen profiel hebt kan u zich hier registeren.