Dubbelgesprek met ex-ministers Wivina Demeester en Mieke Vogels: "Als de informele zorg verdwijnt, gaat het sociaal weefsel kapot."
Wie kan beter zijn licht laten schijnen over dertig jaar Vlaams Welzijns- en gezondheidsbeleid dan twee voormalige ministers die de sector ook van een andere kant kennen? Een dubbelgesprek tussen Wivina Demeester (CD&V), minister in de jaren negentig, en Mieke Vogels (Groen!), de minister die de welzijnssector de 21ste eeuw binnenloodste.
Toen het woord nog niet bestond, steunde de welzijnszorg op de caritas en de religieuze orden. "Gelukkig dat de broeder- en zustergemeenschappen er in die tijd waren", zegt Wivina Demeester. "Hun inspiratie is vandaag nog altijd actueel, maar ik geef toe dat ik in de jaren zestig kritisch stond tegenover hun zorgmodel. Op dat moment ontstond trouwens een dynamiek in de welzijnszorg die hopelijk zal blijven bestaan."
Mieke Vogels beaamt dat. "Wie poen wil scheppen, investeert niet in het welzijn van de andere. Het vergt idealisme en daarin zit ook de dynamiek van de sector. Het is boeiend om te zien hoe telkens van onderuit nieuwe werkvormen ontstaan. Neem nu het idee om met jongeren uit de Bijzondere Jeugdzorg een voettocht naar Santiago de Compostella te organiseren."

Ex-ministers Mieke Vogels (l.) en Wivina Demeester: "We zien een positieve
evolutie van residentiële naar ambulante en semi-ambulante opvang, die
samenging met een minder bevoogdende attitude van de hulpverlener."
De zorg heeft de voorbije dertig jaar inderdaad een enorme groei gekend. Demeester en Vogels zien een positieve evolutie van residentiële naar ambulante en semi-ambulante opvang, die samenging met een minder bevoogdende attitude van de hulpverlener. Zijn er dan alleen positieve ontwikkelingen?
Vogels: "Vroeger was zorg een lokale zaak: de openbare onderstand en religieuze orden hielpen oude of gehandicapte mensen die behoeftig waren. In de jaren zestig werd welzijn iets dat de nationale overheid voor iedereen moest voorzien. Daarna kwam in Vlaanderen ook de keuzevrijheid tussen een openbaar of een religieusgebonden initiatief. Ik heb het er moeilijk mee dat organisaties dat principe inroepen om te profiteren van de subsidiestroom. Een voorbeeld: er is een dienst schuldbemiddeling bij het OCMW en toch wil ook het Centrum Algemeen Welzijn (CAW) aan schuldbemiddeling doen. Met in het achterhoofd het plaatstekort in de gehandicaptensector is het argument van keuzemogelijkheid hypocriet. Daar zijn ze allang blij zijn als er een plaatsje vrijkomt, kruisbeeld aan de muur of niet."
Demeester: "Ik heb in ‘76 actief geparticipeerd aan de totstandkoming van de OCMW-wet. Het oude stigma dat aan de openbare onderstand kleefde, bestond aanvankelijk ook bij maatschappelijk welzijn. Uiteindelijk is het geleidelijk aan toch verdwenen, ook in de sectoren. Ik bekijk de huidige situatie dan ook positiever dan Mieke. Mensen kiezen nu in functie van de zorg die versterkt wordt en voor zover de zuilgebondenheid nog bestaat, is ze niet meer doorslaggevend."
Vogels: "Op het moment dat ethische vraagstukken aan de orde komen, staan mensen toch nog voor verrassingen. Dan stellen ze vast dat euthanasie in een instelling onbespreekbaar is. Ik bekeek het daarnet niet vanuit het perspectief van de cliënt, maar vanuit het instellingsperspectief. We evolueren naar welzijnsholdings, waarbij voorzieningen grote verbonden aangaan. Voor de overheid is het niet transparant meer. Ik stoor me als parlementslid aan de ondoorzichtige geldstromen. Toen ik minister was, hadden de Broeders van Liefde meer fondsen in hun aparte patrimoniumvennootschap dan ik in mijn VIPA-budget (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, EB)."
Demeester: "Ik ben voor transparantie, maar een overheid is ook gediend met goed functionerende voorzieningen met een stevige structuur. Schaalvergroting van de organisatie en de bijbehorende synergie zijn een zaak van goed beheer. Het maakt variatie in de zorg mogelijk. Benchmarking is goed voor de sector."

Mieke Vogels: "Op het moment dat ethische vraagstukken aan de orde komen, staan
mensen toch nog voor verrassingen."
Verkokering en wachtlijsten
Vogels heeft het wel vaker over de ‘verkokering' van welzijnszorg met zijn vele aparte sectoren. Wivina Demeester vindt het een terechte bekommernis: "Zeker in de gehandicaptenzorg zijn vele soorten zorg ontstaan die geen verband houden met elkaar. Ik denk dat we moeten zoeken naar een verband."
Vogels: "De gehandicaptenzorg heeft de thuiszorg gemist en is nog altijd heel aanbodgestuurd. Er bestaat een vorm van apartheid: ofwel kies je voor voorzieningen en het bijbehorende pakket ofwel kies je voor een instrument als het Persoonlijk Assistentie Budget of Persoonsgebonden Budget (PGB). In het tweede geval beschouwt men je nog altijd een beetje als een outlaw. De cliënt zou beide instrumenten op maat moeten kunnen combineren, wat de afhankelijkheid van de voorziening ook minder groot zou maken."
Demeester: "Ik beleef het aan de basis en ik ben dus vertrouwd met alle vormen van zorg in de gehandicaptensector. De vraag is of je de juiste en goede zorg kunt blijven ontwikkelen in al die diverse vormen. Diversiteit is positief, maar de zorg die verstrekt wordt moet nodig en goed zijn."
Vogels: "Als je op een wachtlijst staat, krijg je zeker niet de nodige, goede zorg..."
Demeester: "Tja, wachtlijsten. Het bestaan van een wachtlijst is voldoende om ze te doen groeien. Als er een plaats vrij komt in Huize Monnikenheide in Zoersel gebeurt het dat mensen op de wachtlijst vaak zeggen dat het nu het moment nog niet is. In de gehandicaptenzorg zijn de wachtlijsten ook een gevolg van de goede zorg en de omkadering. De mensen voelen zich goed in hun vel en dus blijven ze langer leven. 60% van de mensen in Monnikenheide zijn tussen de 55 en de 86 jaar oud. Vroeger was het ondenkbaar dat die mensen zo oud zouden worden."
Vogels: "Maar er bestaan ook wachtlijsten in de ouderenzorg. Alleen in Antwerpen staan 10.000 mensen op de wachtlijst voor een serviceflat. Eigenlijk is de welzijnssector het slachtoffer van het succes van de geneeskunde. Er zijn ook steeds meer alleenstaanden en die zijn kwetsbaarder dan mensen die in een gezinsverband leven. Thuiszorg vergt immers een minimum aan mantelzorg. Alleenstaanden kun je na een operatie niet meteen naar huis sturen, dus worden ze opgevangen in het zorghotel. Dat is weer meer professionele zorg. Die overgang van informele zorg naar formele zorg is een van de uitdagingen van de toekomst. Als we met zijn allen langer en harder moeten werken, kunnen we ook geen mantelzorg geven. En dan hebben we het nog niet gehad over het 'onwelzijn' dat onze samenleving zelf produceert. Welzijn is de dweil van deze individualistische samenleving."
Demeester: "De maatschappij is een beetje haar inspiratie verloren, de waarden van vroeger zijn zoek geraakt. "
Vogels: "De politiek moet de randvoorwaarden creëren voor een solidaire samenleving. Kijk, typisch voor deze samenleving is dat in alle steden opvoedingswinkels openen. We zijn een samenleving die denkt dat alles te koop is, zelfs opvoeding. In plaats van overal opvoedingswinkels te openen die een middenklasseverhaal verkopen, kunnen we het geld veel beter gebruiken om bestaande netwerken voor opvoedingsondersteuningen, zoals bij de Gezinsbond, te versterken. Of versterk de inloopteams van Kind en Gezin die allochtone ouders samenbrengen rond opvoeding."

Wivina Demeester: "Het bestaan van een wachtlijst is voldoende om ze te doen groeien.
In de gehandicaptenzorg zijn de wachtlijsten ook een gevolg van de goede zorg en
de omkadering. De mensen voelen zich goed in hun vel en ze blijven langer leven."
De rol van OCMW's en mutualiteiten
Zowel Demeester als Vogels hebben de kans gehad om als minister de sector op het goede spoor te zetten. Bij Demeester zijn vooral haar inspanningen voor de gehandicaptensector in het geheugen blijven hangen, zoals de invoering van een integratietegemoetkoming naast een inkomensvervangende tegemoetkoming. Ze voltooide ook de verzelfstandiging van de gehandicaptensector die ingezet was door minister Rika Steyaert met de oprichting van het autonome VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap). Voorts maakte ze de weg vrij voor de groei van de thuiszorg en, via de bevek Serviceflats Invest, de serviceflats voor ouderen. "Ik had ook de droom om het onderscheid tussen openbaar en privé, tussen OCMW en mutualiteiten zeg maar, op te heffen en de zorg consequent op het juiste niveau te organiseren. Maar daar was de tijd niet rijp voor. Gezondheidszorg en gehandicaptenzorg kan je nooit op het laagste niveau voorzien. De vraag is dan ook of het nog wel logisch is dat OCMW's ziekenhuizen beheren?"
"Ik kan u volgen", zegt Vogels, "Ik heb als minister het decreet van de zorgregio's laten goedkeuren. Het zorgnetwerk moest in een regio worden opgebouwd. Dat was in het belang van de patiënt, maar het CD&V heeft dit teruggeschroefd. Als overheid moet je instanties in een regio kunnen verplichten om samen te werken in het belang van de patiënt."
Een van de stokpaardjes van minister Vogels was de versterking van de lokale dienstencentra, een ontwikkeling die door het latere woonzorgdecreet werd gestuit. "Ik wilde in elke wijk een lokaal dienstencentrum waar mensen terechtkunnen voor kleine dingen", zegt Vogels, "Eens warm eten in de week, pedicure, de was... Er zou ook een cel Activiteiten Dagelijks Leven (ADL) zijn waar iemand een beroep kon op doen om hem uit bed of op toilet te helpen. Voor meer zorg zou het lokaal dienstencentrum doorverwijzen naar nabije thuiszorgdiensten. Maar het woonzorgdecreet heeft alles wat met thuiszorg te maken heeft nu bij de regionale dienstencentra ondergebracht, die georganiseerd zijn per mutualiteit. Bij de regionale dienstencentra komen de mensen meestal veel later terecht na doorverwijzing van een arts. De zorg is dus opnieuw gemedicaliseerd en verzuild. Het woonzorgdecreet is een cadeau aan de christelijke mutualiteit die over de meeste diensten beschikt voor ouderenzorg!"
Demeester: "Dit is een enge interpretatie. In de geschiedenis van de zorg is er altijd spanning geweest rond de kwestie wie wat kan organiseren. Laat ons erkennen dat mutualiteiten, welke het ook moge zijn, sterke organisaties zijn die zorg kunnen ondersteunen."
Vogels: "Mutualiteiten hebben een belangrijk rol gespeeld in onze gezondheidszorg. Maar vandaag moet er dringend een debat komen over hun kerntaak en functie in de 21ste eeuw."
Demeester: "Maar Mieke, ik begrijp niet waarom jij als minister niet zwaarder hebt ingezet op de serviceflats?"
Vogels: "Ik zal het u zeggen. Omdat de caritasvoorzieningen niet wilden investeren in serviceflats. Toen ik uw Serviceflats Invest erfde, was de stapel dossiers van OCMW's veel groter dan die van de caritasvoorzieningen. Ze bouwden liever aanleunwoningen via de achterdeur van de sociale huisvesting waar ze 60% subsidies kregen."

Vogels: "Mutualiteiten hebben een belangrijk rol gespeeld in onze gezondheidszorg.
Maar vandaag moet er dringend een debat komen over hun kerntaak en
functie in de 21ste eeuw."
Betaalbare en kwalitatieve zorg: iemand?
Als de overheid de zorgvraag niet kan volgen, mag de vrije markt dan bijspringen?
Vogels: "De term wordt vaak verkeerd gebruikt in verband met welzijn. De paniek in dat verband is ook misplaatst, een belangrijk stuk van de welzijnssector is allang overgelaten aan het vrije initiatief. Belangrijk is dat overheidsgeld alleen maar naar erkende initiatieven mag gaan die ook een kwaliteitslabel hebben gekregen."
Demeester: "De kwaliteit van de zorg moet gecontroleerd en gegarandeerd blijven, maar het maakt niet uit of de initiatiefnemer een openbaar bestuur, een vzw of een vennootschap is. Het is de taak van de overheid te waken over de betaalbaarheid en de kwaliteit van de zorg."
Over de jeugdzorg zegt Mieke Vogels resoluut dat de beschermingsgedachte totaal achterhaald is. "We zijn een van de weinige landen in Europa waar men nog vertrekt van de beschermingsgedachte en we zijn ook een paar keer op de vingers getikt door de VN. Kinderen moeten op hun niveau rechten en plichten hebben in plaats van volledig overgeleverd te zijn aan het oordeel van de jeugdrechter. Voor hetzelfde vergrijp heeft die in het ene geval een berisping en in het andere geval laat hij de jongere plaatsen in een gemeenschapsinstelling. Er moet dus een jeugdsanctierecht komen met minimum en maximum straffen met een voorkeur voor een herstelgerichte aanpak.
Ook het samenbrengen in dezelfde voorzieningen van jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (MOF) en jongeren die zich in een problematische opvoedingssituatie (POS) bevinden, is niet goed. Voor deze zogenaamde possers, die 40% uitmaken van de jongeren in de gemeenschapsinstellingen moeten andere oplossingen worden gevonden die hen niet stigmatiseren in de samenleving."
Demeester: "Ik wil er me niet over uitspreken aangezien ik de problematiek onvoldoende ken. Ik heb op Monnikenheide wel ervaring met jongeren die door de jeugdrechtbank geplaatst zijn om gemeenschapsdienst te verrichten. Dat vergt opvolging, maar het blijkt wel redelijk te functioneren. Bijzondere Jeugdzorg is een heel moeilijke kwestie, maar ik denk dat we met Jo Vandeurzen een minister hebben die goedgeplaatst is om het debat aan te gaan en het beleid terzake te sturen."
Hoe heeft de welzijnszorg gereageerd op de vele culturen en nationaliteiten waarmee Vlaanderen de voorbije decennia kennis heeft gemaakt?
Vogels: "Ik vind dat Kind & Gezin daar goed op geanticipeerd heeft, met onder andere ervaringsdeskundigen en multiculturele werkers. Kind & Gezin is een van de beste organisaties in zijn genre in Europa. Ze bereikt 97% van de kinderen voor begeleiding in de eerste levensmaanden. En we kennen een hoge vaccinatiegraad. Op Kind & Gezin mogen we dus absoluut niet besparen, vind ik."
"Sectoren als ouderenzorg zijn niet klaar voor de opvang van allochtonen. Je ziet bijvoorbeeld ook zelden jonge allochtonen in een herstelgerichte aanpak. Voorwaarde voor een alternatieve straf is immers dat je eerst schuld bekent. Dat ligt in de allochtone gemeenschap heel moeilijk ligt, omdat de jonge dader dan zijn hele familie te schande maakt. Meestal worden ze dan ook zwaarder bestraft door de jeugdrechtbank, omdat ze niet willen toegeven dat ze de feiten hebben gepleegd."

Wivina Demeester: "We zijn te weinig bezig met de behoeften en wensen van wie in
een instelling komt wonen. Wat willen zijzelf?"
"Samen minister voor wonen en welzijn"
Hoe zit het met de regionalisering van de bevoegdheden voor Welzijn en Gezondheid? Is een verdere regionalisering wenselijk?
Demeester: "Preventie zit bij de gemeenschappen en dan is het niet goed om op dat terrein federale beslissingen te nemen. Ook over het stedenbeleid zou een duidelijke afspraak moeten bestaan dat het gemeenschapsmaterie is. In het verleden was het stedenbeleid te versnipperd, zodat er nooit een globale visie op dat beleid ontstaat. Het grootstedenbeleid is indertijd onder wijlen Jan Lenssens begonnen met het Vlaams Fonds voor Integratie van Kansarmen (VFIK) dat samen met het Bijzonder Fonds voor Maatschappelijk Welzijn in 1996 werd vervangen door het Sociaal Impulsfonds (SIF). Dat heeft veel betekend, maar we staan vandaag meer dan tien jaar verder in een totaal andere context. Een van de uitdagingen van de toekomst is nu: hoe versterk je het sociaal weefsel? Zoals Mieke al zei, mag je niet alles professionaliseren omdat je zonder informele zorg het vangnet en de canvas van je samenleving gaat kapotmaken."
Vogels: "Naast lokale dienstencentra is ook stedenbouw daarin een belangrijke factor. In Freiburg bouwt men wijken die uitnodigen tot sociaal contact, terwijl we in Antwerpen wijken bouwen met beneden een garage en boven bel-etage. Zo wil men tweeverdieners naar de stad lokken omdat die meer belastingen te betalen, maar het is een gemiste kans. Men ziet de samenhang tussen wonen en welzijn nog te weinig, op dat terrein wacht ons nog een enorme uitdaging."
Demeester: "Wonen, welzijn en architectuur. Ook in de zorg denkt men veel te weinig na over wat de omgeving en de architectuur betekent voor de bewoners. Dat is maar het begin. Er wordt daar veel te weinig over nagedacht in de samenleving. Men doet maar wat zonder zich af te vragen of die mensen echt behoefte hebben aan bijvoorbeeld een grote zithoek. Ook met de serviceflats bestaat nog te veel de neiging om uit te gaan van het eigen concept van een serviceflat. We zijn te weinig bezig met de behoeften en wensen van wie er komt wonen. Wat willen zijzelf?"
Vogels: "Ik weet uit mijn ervaring bij het Antwerpse OCMW bijvoorbeeld dat allochtone gezinnen niet houden van onze prachtige sociale woningen met grote zithoeken en kleine keukens. Weet je wat, Wivina, we zullen de volgende keer samen minister worden om een aangepast woon- en welzijnsbeleid uit te tekenen."
Geschreven door Eric Bracke (foto's Jan Locus) op 01/02/10 in de categorieën Weliswaar en Beleid