Alle macht aan het netwerk: Jos van der Lans pleit in zijn boek 'Eropaf!' voor de sociale werker als bruggenbouwer
"De garagehouder moet wegenwacht worden." Deze metafoor uit het boek Eropaf! drukt perfect uit hoe auteur Jos van der Lans de taak van de nieuwe sociale werker ziet. Hoewel zijn analyse slaat op de Nederlandse situatie met zijn ver doorgedreven vermarkting, is ze niet minder relevant voor Vlaanderen. (Dit is de lange versie van het interview dat in de papieren editie van Weliswaar staat.)
Cultuurpsycholoog Jos van der Lans was van 1999 tot 2007 kamerlid voor GroenLinks in de Nederlandse senaat en heeft als freelancejournalist gedurende tientallen jaren het reilen en zeilen van de sociale sector gevolgd. Dat resulteerde de voorbije jaren in een aantal boeken. In Ontregelen (2008) beschrijft hij hoe de professionals vastgelopen zijn in hun systemen en regels. Het boek leverde hem vele uitnodigingen op om lezingen te geven. De discussies achteraf inspireerden hem tot een nieuw boek, Eropaf!, waarin hij een overtuigend pleidooi houdt om de spreekkamer te ruilen voor de straat. De sociale werker moet het vliegwiel aanzwengelen om vastgelopen motors weer in beweging te krijgen. De informele sociale netwerken van de betrokkenen leveren de brandstof.
In een dubbelgesprek in Weliswaar vreesden ex-ministers van Welzijn Mieke Vogels en Wivina Demeester een samenleving waar geen plaats meer is voor informele hulp. Bent u optimistischer gestemd?
Jos van der Lans: "Er zit solidariteit in de samenleving die we nog te weinig aanboren. Maar ik zie wel het gevaar, zeker nu kale en ondoordachte bezuinigingen dreigen. In Nederland is het sociaal werk vooral op het niveau van de gemeenten georganiseerd. De kans is groot dat men daar flink zal snijden om begrotingstekorten te beperken. Dat is ook de reden waarom ik dit boek nu geschreven heb. Ik begrijp best dat je je boekhouding in evenwicht moet hebben, maar precies dan moet je een herinvesteringsprogramma hebben. Als we echt naar een civil society willen waarin mensen voor elkaar zorg dragen, zullen we dat moeten organiseren. Zoiets komt heus niet vanzelf tot stand. In een moderne samenleving hebben mensen heel veel netwerken, met diverse vormen van activiteit en betrokkenheid, maar het systeem is kwetsbaar voor uitval. Vitaliteit opwekken kan niet door het gewoon over te laten aan de samenleving. Het vergt professionals om mensen te herlanceren in de moderne netwerksamenleving. Een eenvoudige kaalslagbesparing gaat daaraan voorbij. Het komt er dus op aan te investeren in een ander soort professionals en andere organisaties."
Bezuinigen en herinvesteren betekent keuzes maken...
"Inderdaad, niet alles kan. Misschien zal een deel van het sociaal-cultureel werk moeten inbinden. Hoe cruciaal is het om elke donderdagavond een bingoavond te organiseren in het buurthuis? Mensen kunnen dat ook zelf doen. Het lijkt me beter om te investeren in toegankelijke eerstelijnszorg die snel kan reageren op problemen."
"Maar daarmee raak je aan de economische belangen van de instellingen. Hoe meer cliënten een voorziening binnenhaalt, hoe meer geld ze krijgt. Een sterke eerstelijnszorg, die uitgaat van de kracht van de mensen, zal het opzuigen van problemen in de gespecialiseerde instellingen afremmen. De grote voorzieningen zullen dat niet zomaar laten gebeuren. Daarom moet het beleid leidinggevend zijn in deze verandering. De slogan ‘eropaf!' wekt de indruk dat je maar één knop moet omdraaien, maar om de omslag te maken, moet je aan vijftien knoppen tegelijk draaien. Niemand zit aan die vijftien knoppen, dus zullen de veranderingen niet gelijktijdig gebeuren. Het is niet het laatste boek dat hierover geschreven zal worden. Maar als iets de kracht heeft om dingen te veranderen, is het geld. Als je moet saneren, wordt de discussie op scherp gesteld."
In uw boek rekent u af met de term welzijnswerker. Wat is er mis mee?
"In Nederland is het een historisch beladen term. Welzijnswerk is erg jaren zeventig. Voordien spraken we over sociaal-maatschappelijk werk en maatschappelijk opbouwwerk. De term welzijnswerk vond ingang onder het progressieve kabinet Den Uyl (1973-1977, nvdr). Als tegengewicht voor de economische welvaart wilde men iedereen een staat van welbevinden garanderen. Het was een omvattend, ambitieus programma waardoor het zogenaamde welzijnswerk een enorme uitbreiding nam. Er stond een nieuwe generatie sociale werkers op die hoger opgeleid was en nieuwe wegen moest banen. Het ging niet alleen om de emancipatie van de doelgroep waarmee ze werkten, maar eveneens om de eigen emancipatie. Precies dat aspect is opgepakt door mensen die zich ergerden aan de wollige praat van de jaren zeventig. Je moest zogezegd eerst jezelf ontdekken, prutsen aan je eigen ziel, voor je anderen kon helpen. Het was een generatie die alles nog moest ontdekken in het leven, nadat ze de erfenis van hun ouders overboord hadden gezet. In een eigen taaltje werd alles vergoelijkt: geen oordeel over anderen en geen strengheid, alles moest kunnen. Welzijnswerk werd het voorwerp van grappen en hilariteit en de sector heeft zich nooit meer kunnen ontdoen van dat softe imago. De films over de familie Flodder en hulpverlener Sjakie hebben daar natuurlijk ook toe bijgedragen. Zowat zes jaar geleden werden de Tokkies een mediahype, een compleet asociale familie die ongezond dik was, drugs gebruikte, overlast veroorzaakte en alle mogelijke bijstandsuitkeringen ontving. Ze waren omringd door vier hulpverleners maar niemand wist de uit de hand gelopen situatie aan te pakken. Zo werden de Tokkies een metafoor voor de mislukking van de verzorgingsstaat en de zwakte van het welzijnswerk."
"Intussen noemt niemand in Nederland zich nog welzijnswerker. Beleidsmatig is de term nog in gebruik, maar ook instellingen hebben hem afgezworen. Het ongemak is zo groot dat het bij een nieuwe start beter is te spreken van sociaal werk."
In de jaren tachtig verschanste de sociale werker zich van de weeromstuit in zijn spreekkamer. Als omslagpunt van deze fase - waarin administratieve distantie en zakelijkheid de toon aangaven - neemt u Pim Fortuyn. Wat heeft hij aan het sociaal werk bijgedragen?
"Mijn stelling is dat in de jaren zeventig en tachtig een sociaal-agogisch wereldbeeld dominant was, niet alleen bij links. Men was positief voor mensen en samenlevingen, negatief over repressie en ging ervan uit dat je met aandacht, empathie en goede voorzieningen alle problemen kon wegmasseren. Zodra iemand zijn ongenoegen luchtte, kreeg hij te horen dat hij niet mocht stigmatiseren. Er is altijd een stille meerderheid geweest die zich daaraan ergerde. Conflicten mochten niet benoemd worden. In de totstandkoming van dat wereldbeeld heeft de verwerking van de oorlog en onze niet zo moedige houding in de Jodenvervolging een rol gespeeld. De naweeën van de oorlog hebben tot een angst geleid voor alles wat een beetje discriminerend was. Dat is kunstmatig volgehouden, ook al werd de stille meerderheid groter en kreeg Hans Janmaat van de extreemrechtse Centrumpartij begin jaren tachtig onverwacht één en later zelfs twee zetels in het parlement. Maar het was pas met Fortuyn dat er een gat werd geslagen in de ontkenning van de problemen. Met hem kwam het allemaal naar boven, versterkt door zijn dramatische dood. Sindsdien is de dominante cultuur kordaatheid geworden, al is daar in de sociale voorzieningen weinig van te merken. Volgens mij moet je je professionaliteit daaraan aanpassen zonder alles weg te gooien. Het agogisch wereldbeeld is natuurlijk niet waardeloos: het blijft belangrijk om het vertrouwen van mensen te winnen en compassie op te brengen als je hen wil helpen, maar dat mag niet leiden tot het ontkennen van de problemen in de samenleving."
Is de pendel niet doorgeslagen naar de periode van voor de geitenwollensokken? In de beginfase ging men ook ‘eropaf'?
"Ik heb de fases in het sociaal werk getypeerd met ER-woorden. In de pioniersdagen was het erbovenop, paternalistisch. In de jaren zeventig was het ernaast, in de jaren tachtig ervandaan en de nieuwe fase is het eropaf. Wat is het verschil met de pionierstijd? Dat het niet meer erbovenop is. Dat kan ook niet meer omdat de maatschappij fundamenteel veranderd is. Eind negentiende eeuw hadden we geen democratie, geen privacy, geen riolering en geen hygiëne en een concentratie van armoede en bandeloosheid. In ruil voor hulp moesten de mensen fatsoenlijk gaan leven. Het was toen een beschavingsoffensief."
"Meer dan honderd jaar later zijn de condities veranderd. Mensen hebben recht op privacy en kunnen makkelijker nee zeggen. De maatschappij is minder gesegmenteerd en er is een grotere keuze aan hulpverlening. Vroeger had die ene strohalm waar je je kon aan vastklampen een monopoliepositie, zodat je je moest schikken. De interactie tussen de pauper en de hulpverlener is dus fundamenteel anders dan vroeger."
"Eropaf betekent dat de sociale werker als een brug fungeert: dat hij of zij het netwerk probeert te activeren of mensen in contact brengt met andere instanties. Het regime is minder dwingend. Als mensen systematisch de deur sluiten, kun je niets voor ze doen, tenzij je moet ingrijpen omdat de kinderen in gevaar zijn. Maar ze oppakken en opsluiten voor landloperij kan niet meer."
Zelfs als sociale instellingen overtuigd zijn dat ze hun sociale werkers eropaf moeten sturen, is niet alles opgelost. Vijftig sociale werkers in een wijk garandeert geen effectieve aanpak van de problemen...
"'Eropaf' is een slogan, maar het proces is ingewikkeld. Ten eerste komen we uit een traditie waarin het ongebruikelijk was om sociale werkers naar het front te sturen. Sociale werkers moeten dus de competentie hebben om dit soort werk te doen. Een tweede probleem is dat je het op het terrein goed moet organiseren. Een beroemd geworden verhaal is dat van de mevrouw in de Rotterdamse wijk Pendrecht die extra voorziening in de bijstand vraagt omdat ze voortdurend koffie moet schenken aan de sociale werkers die ze over de vloer krijgt. Die koffiebijslag was natuurlijk ironisch: ze vond het stilaan welletjes, terecht. Als je eropaf gaat, moet je het doordacht doen."
"Dat dit niet altijd het geval is, merk ik als voorzitter van de visitatiecommissie die de veertig achtergestelde kracht- of Vogelaarswijken moet bezoeken (Ella Vogelaar, voormalig minister van Wonen, Wijken en Integratie, liet in 2007 een lijst met Nederlandse probleemwijken opstellen, nvdr). Al de instellingen buigen zich naar een wijk met als gevolg dat de professionals elkaar voor de voeten lopen. Dat los je niet op met vergaderingen. Als je in zo'n wijk in plaats van tachtig sociale werkers er tien goede zou hebben die naar mensen toe gaan, verbindingen maken, eerste aanspreekpunt zijn, zou het doeltreffender verlopen. Een overzichtelijk team moet het voorportaal van de gespecialiseerde zorg zijn en tegelijk in de buurt fungeren als wegenwacht die de vastgelopen motors aanzwengelt. Dat betekent dat er macht moet worden afgestaan aan dit eerstelijnsteam. Het beroemde wijkcoachteam in Enschede dat ik vermeld in het boek is een voorbeeld van een overzichtelijk team dat prima werk levert. Het kleine team beschikt over verregaande bevoegdheden om autonoom te oordelen over situaties en eventueel door te verwijzen, net zoals een huisarts over verregaande bevoegdheden beschikt. Dat werkt, tot tevredenheid van iedereen in de probleembuurt."
In verband met het aanspreken van het netwerk hebt u het over verlegenheden. Wat bedoelt u met vraag-, aanbod- en acceptatieverlegenheid?
"De termen zijn niet van mij, maar komen uit een proefschrift van Lilian Linders, De betekenis van nabijheid, een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. Ze zijn bruikbaar om je rekenschap te geven van de nieuwe culturele omstandigheden waarin je sociale interventies uitvoert. De samenleving is vandaag anders georganiseerd dan de verzuilde maatschappij met haar kerken en traditionele netwerken. De vanzelfsprekende manieren om mensen op te vissen, bestaan niet meer. De netwerken zijn van een andere aard en daardoor zijn ook de uitvalmechanismen anders. Mensen hebben het vermogen verleerd om elkaar aan te spreken als ze vaststellen dat er iets niet pluis is. Er is een verlegenheid om zelf hulp aan te bieden, maar ook om het te accepteren en het te vragen van mensen in de omgeving. Liever klopt men aan bij een afstandelijke, formele instantie. Maar als een hulpverlener helpt om die verlegenheid te doorbreken, blijken veel mensen wel bereid anderen te helpen."
U pleit er ook voor om sociale werkers niet meteen in het water te gooien...
"Ik zou pas afgestudeerde sociale helpers als junior laten optrekken aan de zijde van ervaren seniors. Dat is in veel beroepen gebruikelijk, maar niet in het sociaal werk. Je studeert af op je 21 en dan sta je daar in een multiproblematisch gezin. Begin maar. Ik wil een ander traject. Eerst en vooral moeten de opleidingen inhoudelijk minder specialistisch worden. Als je als junior op de arbeidsmarkt komt, moeten seniors hun ervaring en vaardigheden met je delen. Koester het idee dat het een ingewikkeld vak is waar je in moet groeien. Op die manier kan je als sociaal werker een carrière maken. Momenteel is dat uitgesloten: je bent hulpverlener of je wordt manager. Het is ook een voorwaarde om de waardering voor het werk, die nu krankzinnig laag is, op te krikken."
Een nieuwe werkvorm zijn de Eigen Kracht Conferenties, die geïnspireerd zijn op de Family Group Conferences waarmee de Maori in Nieuw-Zeeland hun problemen intern proberen op te lossen. U zegt dat deze methode succes zou kunnen hebben in de jeugdzorg. Maar is zo'n netwerkvergadering een goed idee als je een kind wil weghalen uit zijn omgeving?
"Met zekerheid durf ik het niet zeggen. Maar ook in een problematisch gezin is het uitgangspunt dat een kind het best zolang mogelijk bij zijn ouders blijft. In Nederland is dat in een aantal gevallen op een tragedie uitgelopen, waardoor het aantal uithuisplaatsingen enorm is toegenomen. Als je een kind wil plaatsen, duurt het dus lang. Wat moet er in die tussentijd gebeuren? De Eigen Kracht Centrale biedt pedagogisch gezien een variant tussen institutionele zorg en het kind bij de ouders laten. Misschien kan de omgeving een opvang afspreken zodat het kind toch in de buurt van de ouders verblijft. De sociale werker moet de ruimte rond het gezin waarin mensen nog iets kunnen betekenen voor elkaar, volledig benutten vooraleer er andere maatregelen worden getroffen. Op zo'n Eigen Kracht Conferentie zijn de mensen aanwezig die het kind en de ouders er zelf bij willen hebben. Een buitenstaander krijgt de taak om de conferentie concreet te organiseren. Maar het zijn alleen de aanwezigen uit de omgeving van het kind die onderling bekijken wat ze kunnen doen om tot een oplossing te komen. De diagnose op zo'n conferentie is meestal scherp: de omgeving weet genadeloos wat fout gaat."
"In het plan dat ze maken gaat het om kleine engagementen. De onderwijzer kan bijvoorbeeld instaan voor naschoolse opvang op een dag dat hij toch op school aanwezig is. Oma en opa kunnen de opvoeding van het kind een half jaar op zich nemen. Zo mogelijk krijgen de grootouders een pleegzorgvergoeding. Op die manier hebben de ouders ruimte om aan hun probleem te werken of een baan te vinden. Zo'n oplossing geeft ouders ook het gevoel dat ze niet alleen staan met hun probleem. Vaak zijn ze niet kwaadwillig, maar onvermogend. Misschien moet je na drie maanden het plan verversen, maar al met al blijkt het te werken. En daarnaast is het ook economisch een voordelige zaak."
> Jos van der Lans, Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk, Augustus, 2010, 185 p. | € 16,50 | ISBN 978 90 457 0431 9
Geschreven door Eric Bracke | Foto's door Bob Van Mol op 27/08/10 in de categorieën Algemeen Welzijnswerk en Beleid